Home » Aanpassingen regeling tegemoetkoming ondernemers in getroffen sectoren (TOGS)

Aanpassingen regeling tegemoetkoming ondernemers in getroffen sectoren (TOGS)

Publicatiedatum

23/04/2020

Aard

besluit

Nummer BIK code

Staatscourant Nr. 22337, nr. WJZ/ 20090602

De minister en de de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat hebben een aangepaste versie van de regeling tegemoetkoming ondernemers in getroffen sectoren (TOGS) gepubliceerd. De oorspronkelijke regeling is op 31 maart 2020 met terugwerkende kracht tot en met 27 maart 2020 in werking getreden. De regeling bestaat uit een tegemoetkoming van € 4.000 voor andere vaste lasten dan personeelskosten. Voorwaarde voor de tegemoetkoming is een verwacht omzetverlies tussen 16 maart en 15 juni 2020 van ten minste € 4.000 en een gelijk bedrag aan vaste lasten, na aftrek van andere steunmaatregelen.

 

Het aantal sectoren dat voor de eenmalige tegemoetkoming in aanmerking komt is enkele malen uitgebreid. Voor een aantal nieuwe sectoren worden aanvullende voorwaarden gesteld. Daarnaast is een algemene uitzondering opgenomen op de eis dat een onderneming ten minste één vestiging moet hebben op een ander adres dan het privéadres van de eigenaar.

 

Tot de direct gedupeerde ondernemingen behoren alle sectoren waarvan aannemelijk is dat deze direct door de overheidsmaatregelen getroffen worden. Het gaat dan om gedwongen sluiting, het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen, het negatieve reisadvies, het dringende advies om zoveel mogelijk thuis te blijven en de eis om minimaal 1,5 meter afstand te houden, en maatregelen van regionale overheden zoals de sluiting van markten. De ondernemingen dienen omzetverlies te lijden als direct gevolg van het wegblijven van consumenten of het niet meer kunnen uitoefenen van de hoofdactiviteit.

 

Gedupeerde agrarische recreatieondernemingen

Onder de direct gedupeerde ondernemingen vallen ook agrarische ondernemingen met een nevenactiviteit op het gebied van recreatie. Voor deze ondernemingen geldt dat het verwachte omzetverlies en de verwachte vaste lasten van ten minste € 4.000 betrekking moeten hebben op de nevenactiviteit.

 

Toeleveranciers

Aan de lijst met gedupeerde ondernemingen zijn sectoren toegevoegd die vrijwel uitsluitend leveren aan direct gedupeerde ondernemingen of die voor hun omzet grotendeels afhankelijk zijn van door de overheid ontraden of verboden activiteiten. Het betreft onder meer de groothandel in retail en horeca, fotografen en uitzendbureaus voor de evenementensector en horeca. Voor deze groep geldt als aanvullende voorwaarde een verklaring dat de onderneming voor 70% of meer van zijn omzet afhankelijk is van direct gedupeerde ondernemingen.

 

Gedupeerde zorgondernemingen

Voor gedupeerde zorgondernemingen geldt dat er in veel gevallen tegemoetkomingen worden verstrekt door zorginkopers ter compensatie van het omzetverlies. Deze ondernemingen komen alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming indien het omzetverlies en de vaste lasten na aftrek van de tegemoetkoming(en) ten minste € 4.000 bedragen. Hierover dienen gedupeerde zorgondernemingen bij de aanvraag een verklaring in te dienen. Thuiszorgwinkels vallen onder de gedupeerde zorgondernemingen. Onder de SBI-code voor thuiszorgwinkels vallen echter ook andere ondernemingen. Thuiszorgwinkels dienen bij de aanvraag te verklaren dat de onderneming een thuiszorgwinkel is.

 

Uitzondering op de vestigingseis

Aanvankelijk waren alleen horecaondernemingen uitgezonderd van de vestigingseis. Daar zijn ondernemingen aan toegevoegd in andere sectoren als sprake is van een fysiek van de woning afgescheiden vestiging met omvangrijke periodieke vaste lasten. De fysiek afgescheiden vestiging moet een eigen opgang of toegang hebben. Bij de aanvraag moet een bewijs meegestuurd worden waaruit dat blijkt.

 

 Tekst

 

Staatscourant Nr. 22337, 16 april 2020

 

Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 15 april 2020, nr. WJZ/ 20090602, tot wijziging van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 in verband met uitbreiding van de sectoren die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming

 

De Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Besluiten:

 

ARTIKEL I

 

De Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19 wordt als volgt gewijzigd:

 

A

 

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

 

1.In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

ambulante onderneming: onderneming die op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister onder de code 47.81.1, 47.81.9, 47.82, 47.89.1, 47.89.2, 47.89.9, 49.39.1, 49.32 50.30, 85.53 of 93.21.2 van de Standaard Bedrijfsindeling;

 

direct gedupeerde onderneming: gedupeerde onderneming die op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister onder een hoofdactiviteit die in de tabellen 1a, 1b of 1c van bijlage 1 is opgenomen, met de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling;

 

gedupeerde agrarische recreatieonderneming: gedupeerde onderneming die op 15 maart 2020 voor wat betreft de hoofdactiviteit van de onderneming stond ingeschreven in het handelsregister onder een code, vallende onder de hoofdcode 01 van de Standaard Bedrijfsindeling, en tevens met een nevenactiviteit onder de code 55.20.1, 55.20.2, 55.30 of 93.29.9 van de Standaard Bedrijfsindeling;

 

gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen: gedupeerde onderneming die op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister onder een hoofdactiviteit die in tabel 2 van bijlage 1 is opgenomen, met de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling;

 

2. In de alfabetische volgorde wordt de volgende begripsbepaling ingevoegd:

gedupeerde zorgonderneming: gedupeerde onderneming die op 15 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister onder een hoofdactiviteit die in tabel 3 van bijlage 1 is opgenomen, met de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling, en zoals in voorkomend geval nader geclausuleerd;

 

3. De begripsomschrijving van ‘gedupeerde onderneming’ wordt als volgt gewijzigd:

 

a. In onderdeel a wordt na ‘Standaard Bedrijfsindeling’ ingevoegd ‘, en zoals in voorkomend geval nader geclausuleerd’.

 

b. Onderdeel c, onder 1°, komt te luiden:

 

1°.voor zover het een onderneming, niet zijnde een horecaonderneming of een ambulante onderneming, betreft:

–ten minste één vestiging heeft met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar of eigenaren van de onderneming; of

–een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar of eigenaren van de onderneming en voorzien is van een eigen opgang of toegang; of.

 

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede lid tot vierde lid, worden de volgende leden ingevoegd:

2.Een gedupeerde agrarische recreatieonderneming komt alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming indien het te verwachten omzetverlies, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en de te verwachten vaste lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betrekking hebben op zijn nevenactiviteit met de code 55.20.1, 55.20.2, 55.30 of 93.29.9 van de Standaard Bedrijfsindeling.

3.In aanvulling op het eerste lid, komt een gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming indien die onderneming het omzetverlies, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verwacht te lijden doordat de onderneming voor minimaal zeventig procent van zijn omzet afhankelijk is van:

a. direct gedupeerde ondernemingen; of

b. activiteiten die als gevolg van de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 verboden zijn of ontraden worden.

 

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

4.In aanvulling op het eerste lid, komt een gedupeerde zorgonderneming alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming indien de gedupeerde zorgonderneming verwacht, ook na aftrek van de tegemoetkoming van zorginkopers ter compensatie van het omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19, het omzetverlies, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te lijden en de vaste lasten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, te hebben.

 

C

Artikel 4, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, wordt na ‘het rekeningnummer dat op naam van de gedupeerde onderneming staat’ ingevoegd ‘of, in geval de gedupeerde onderneming een eenmanszaak betreft en deze geen zakelijke rekening heeft, het rekeningnummer van de eigenaar van de eenmanszaak’.

 

2. Onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel f door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma worden de volgende onderdelen toegevoegd:

h. indien van toepassing: een verklaring dat de gedupeerde onderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar of eigenaren van de onderneming en voorzien is van een eigen opgang of toegang, en een bewijsstuk ter onderbouwing van deze verklaring zoals:

1°.een kopie van een zakelijke huur- of koopovereenkomst van de vestiging; of

2°.een kopie van de belastingaangifte van het jaar 2019 of 2020 waaruit blijkt dat er sprake is van een werkruimte waarvan de vaste lasten en kosten fiscaal aftrekbaar zijn als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

i. voor zover het een gedupeerde agrarische recreatieonderneming betreft: een verklaring dat het te verwachten omzetverlies, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, en de te verwachten vaste lasten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, betrekking hebben op zijn nevenactiviteit met de code 55.20.1, 55.20.2, 55.30 of 93.29.9 van de Standaard Bedrijfsindeling; en

j. voor zover het een gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen betreft: een verklaring dat de onderneming het omzetverlies, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, verwacht te lijden doordat de onderneming voor minimaal zeventig procent van zijn omzet afhankelijk is van:

1°.direct gedupeerde ondernemingen; of

2°.activiteiten die als gevolg van de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 verboden zijn of ontraden worden.

3. Onder vervanging van ‘; en’ aan het slot van onderdeel i door een puntkomma en onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door ’; en’, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

k. voor zover het een gedupeerde zorgonderneming betreft: een verklaring dat de onderneming verwacht, ook na aftrek van de tegemoetkoming van zorginkopers ter compensatie van het omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19, het omzetverlies, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, te lijden en de vaste lasten, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, te hebben.

 

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. In het eerste lid (nieuw) wordt na ‘niet in overeenstemming met deze beleidsregel is verstrekt’ ingevoegd ‘, of indien de gedupeerde onderneming de bewijsstukken, bedoeld in het tweede lid, niet overlegt’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

2.Indien van toepassing, overlegt de gedupeerde onderneming desgevraagd gedurende vijf jaar na de verstrekking van de tegemoetkoming de volgende bewijsstukken aan de minister:

a.aanvullende bewijsstukken waaruit blijkt dat de gedupeerde onderneming op het moment van de aanvraag van de tegemoetkoming een vestiging had die fysiek afgescheiden was van de privéwoning van de eigenaar of eigenaren van de onderneming en voorzien was van een eigen opgang of toegang;

b.voor zover het een gedupeerde agrarische recreatieonderneming betreft: bewijsstukken waaruit blijkt waar de verklaring, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel i, op gebaseerd is, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van de aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020;

c.voor zover het een gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen betreft: bewijsstukken waaruit blijkt waar de verklaring, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel j, op gebaseerd is, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van de aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020.

4. Aan het tweede lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d.voor zover het een gedupeerde zorgonderneming betreft: bewijsstukken waaruit blijkt waar de verklaring, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel k, op gebaseerd is, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van de aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020 en een kopie van de stukken uit de boekhouding van 2020 waaruit blijkt wat de hoogte is van de tegemoetkomingen die de gedupeerde zorgonderneming heeft ontvangen van de zorginkopers ter compensatie van het omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19.

 

E

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

 

ARTIKEL II

1. Deze beleidsregel treedt, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, onder 2, B, onder 2, C, onder 3, D, onder 4 en E, onder 5, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt:

a.ten aanzien van artikel I, onderdeel E, onder 1, 2 en 3, terug tot en met 30 maart 2020; en

b.ten aanzien van artikel I, onderdelen A, onder 1 en 3, B, onder 1, C, onder 1 en 2, D, onder 1, 2 en 3, en E, onder 4, terug tot en met 15 april 2020.

2.Artikel I, onderdelen A, onder 2, B, onder 2, C, onder 3, D, onder 4 en E, onder 5, van deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 22 april 2020.

 

Deze beleidsregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

 

’s-Gravenhage, 15 april 2020

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

E.D. Wiebes

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

M.C.G. Keijzer

 

TOELICHTING

1. Aanleiding en doel

Op dinsdag 31 maart 2020 is de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren (TOGS, hierna: de beleidsregel) in werking getreden, met terugwerkende kracht tot en met 27 maart 2020. Het doel van de TOGS is om ondernemingen die een dominant effect zien op hun bedrijfsvoering door het wegblijven van de consument als gevolg van de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19, te ondersteunen in hun vaste kosten. De regeling is bedoeld als een tegemoetkoming in omvangrijke vaste lasten, anders dan personeelskosten, waarvoor ondernemingen immers al gebruik kunnen maken van de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW). In eerste instantie is bij het bepalen van de doelgroep gekeken naar sectoren die direct getroffen worden door de volgende drie overheidsmaatregelen: (de facto) gedwongen sluiting van bepaalde bedrijven, het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen en het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Gedupeerde ondernemingen uit de sectoren opgenomen in de bijlage bij de beleidsregel kunnen een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 ontvangen, als zij verwachten gedurende de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 een omzetverlies van ten minste € 4.000 te zullen realiseren en ten minste € 4.000 aan vaste lasten te hebben, ook na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19.

 

In de toelichting bij de beleidsregel is aangegeven dat indien nodig in een latere fase besloten kan worden om meer sectoren voor de eenmalige tegemoetkoming in aanmerking te laten komen. De ontwikkelingen in de economie gaan zo snel dat geconstateerd wordt dat meer sectoren onder de doelstelling van de tegemoetkoming blijken te vallen, waardoor het wenselijk is die sectoren toe te voegen aan de doelgroep van de beleidsregel. Het blijkt namelijk dat veel ondernemingen ook door de aanwijzing van het kabinet tot ‘social distancing’ (het dringende advies om zoveel mogelijk thuis te blijven en de eis om minimaal 1,5 meter afstand te houden) direct hard getroffen zijn, omdat deze ondernemingen niet meer in staat zijn hun economische activiteit uit te voeren of doordat hun klanten vanwege de kabinetsaanwijzing wegblijven. Daarnaast blijkt dat ook toeleveranciers, die zich één schakel terug in de keten bevinden, en leveren aan de ondernemingen die direct geraakt worden door de overheidsmaatregelen, indirect hard geraakt worden door die overheidsmaatregelen.

 

Na analyse van de sinds vrijdag 27 maart 2020 gedane aanvragen voor de TOGS en de recente acute, negatieve ontwikkelingen van de winkelomzetten, heeft het kabinet op zaterdag 28 maart 2020 dan ook aangekondigd dat ondernemingen in de non-food retail (inclusief non-food markthandel) vanaf 30 maart 2020 ook aanspraak kunnen maken op de eenmalige tegemoetkoming, mits ze aan de overige gestelde vereisten van de beleidsregel voldoen. Ondernemingen in de sector non-food retail kunnen weliswaar openblijven, maar zien hun inkomsten sterk teruglopen als direct gevolg van de kabinetsaanwijzing om 1,5 meter afstand te houden en zoveel mogelijk thuis te blijven, omdat consumenten daardoor wegblijven. In een Kamerbrief van 7 april 20201 heeft het kabinet aangekondigd de beleidsregel nog verder uit te breiden met andere sectoren, waarvan aannemelijk is dat deze sectoren ook (direct of indirect) getroffen worden door de overheidsmaatregelen, zoals hieronder nader toegelicht.Onderhavige wijziging van de beleidsregel voorziet in de toevoeging van die sectoren aan de bijlage van de beleidsregel. Tevens wordt voor een aantal nieuwe sectoren aanvullende voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming. Deze wijzigingen worden toegelicht in paragraaf 2. Tot slot wordt een algemene uitzondering opgenomen van de vestigingseis dat een onderneming ten minste één vestiging moet hebben met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar of eigenaren van de onderneming. Hierdoor kunnen ondernemingen onder bepaalde voorwaarden toch in aanmerking komen indien zij alleen een vestiging hebben bij de woning. Deze wijziging wordt toegelicht in paragraaf 3.

 

2. Uitbreiding doelgroep en aanvullende voorwaarden specifieke sectoren

Met het oog op bovenstaande worden de in bijlage 1 van de beleidsregel opgenomen activiteiten met bijbehorende Standaard Bedrijfsindeling (SBI) codes, uitgebreid met een groot aantal sectoren. Ondernemingen uit deze sectoren kunnen middels deze uitbreiding van de beleidsregel ook in aanmerking komen voor een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000, mits zij verwachten gedurende de periode vanaf 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 een omzetverlies van € 4.000 te realiseren en ten minste € 4.000 aan vaste lasten te hebben, ook na gebruik van andere door de overheid beschik-baar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19, en mits zij voldoen aan de overige voorwaarden uit de beleidsregel.

 

2.1. Direct gedupeerde ondernemingen

Ten eerste betreft dit de sectoren waarvan aannemelijk is dat deze direct door de overheidsmaatregelen getroffen worden. Hierbij zijn voor de selectie van de nieuwe sectoren alle overheidsmaatregelen in acht genomen. Naast de overheidsmaatregelen van gedwongen sluiting van bepaalde bedrijven, het verbod op het organiseren van bijeenkomsten en evenementen en het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, betreft dit de overheidsmaatregelen met betrekking tot ‘social distancing’ (het dringende advies om zoveel mogelijk thuis te blijven en de eis om minimaal 1,5 meter afstand te houden), en de maatregelen van regionale overheden (zoals de sluiting van markten). Als criterium hierbij is gehanteerd dat het moet gaan om ondernemingen die omzetverlies lijden die het directe gevolg is van het wegblijven van consumenten door de overheidsmaatregelen of die hun hoofdactiviteit niet meer kunnen uitoefenen als direct gevolg van de overheidsmaatregelen, zoals de markthandel die vanwege gezondheidsredenen door lokale overheden gesloten wordt.

 

Op basis hiervan komen, naast de sectoren waarvan de SBI-codes al opgenomen waren in de oorspronkelijke beleidsregel (tabel 1a van de bijlage bij de beleidsregel), sectoren in aanmerking, met de SBI-codes die zijn opgenomen in de tabellen 1b (de non-food retail, die sinds 30 maart 2020 in aanmerking komt voor een tegemoetkoming) en 1c (de overige direct geraakte sectoren, die vanaf 15 april 2020 in aanmerking komen voor een tegemoetkoming) van de bijlage bij de beleidsregel. Dit zijn de direct gedupeerde ondernemingen (zie toevoeging begripsbepaling direct gedupeerde onderneming in artikel 1 van de beleidsregel). Dit betreft onder meer winkels in de non-food retailsector, markthandel, jeugdherbergen, kampeerterreinen, kunstuitleencentra, kinderboerderijen en taxiondernemingen.

 

Voor bovenstaande nieuw toegevoegde sectoren gelden geen aanvullende voorwaarden ten opzichte van de sectoren die al in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.

 

Gedupeerde agrarische recreatieondernemingen

Onder de direct gedupeerde ondernemingen vallen ook agrarische ondernemingen met bepaalde in het handelsregister geregistreerde nevenactiviteiten op het gebied van recreatie (zoals een kampeerterrein): een zogenaamde gedupeerde agrarische recreatieonderneming (zie de toevoeging van deze begripsbepaling in artikel 1 van de beleidsregel). De omzet van deze voor de agrarische sector belangrijke nevenactiviteit valt weg, doordat consumenten als gevolg van de aanwijzingen van de overheid wegblijven. Voorwaarde voor de tegemoetkoming is wel dat het verwachte omzetverlies van minimaal € 4.000 en de verwachte vaste lasten van ten minste € 4.000 gedurende de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 betrekking hebben op deze nevenactiviteit (zie artikel 2, tweede lid (nieuw), van de beleidsregel). De tegemoetkoming is immers alleen en uitsluitend bedoeld als tegemoetkoming voor het verwachte omzetverlies en voor de verwachte lasten die betrekking hebben op de nevenactiviteit op het gebied van recreatie. Deze voorwaarde is ook van belang voor (de toepasselijkheid van) de vrijstellingsverordening in verband met staatssteun waarop deze beleidsregel is gebaseerd, de algemene de-minimisverordening (verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun (PbEU 2013, L 352)). Die is namelijk alleen van toepassing op agrarische ondernemingen, voor zover de de-minimissteun gegeven wordt voor activiteiten die onder de algemene de-minimisverordening vallen (waaronder recreatieactiviteiten), en dus niet voor zover de steun ziet op activiteiten die betrekking hebben op primaire landbouwactiviteiten (daarvoor geldt immers de specifieke landbouw de-minimisverordening (Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU 2013, L 352)), met een veel lager plafond). Het is derhalve uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de primaire landbouwactiviteiten van de onderneming voordeel heeft van de onderhavige tegemoetkoming, omdat dergelijke steun niet geoorloofd is op grond van de algemene de-minimisverordening.

 

Over het verwachte omzetverlies en de verwachte lasten met betrekking tot de nevenactiviteit dient de onderneming bij aanvraag een verklaring aan te leveren (artikel 4, tweede lid, onderdeel i (nieuw), van de beleidsregel). Bij een controle achteraf kan de minister de gedupeerde agrarische recreatieonderneming om bewijsstukken vragen waaruit blijkt waar deze verklaring op gebaseerd is, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020 (artikel 6, tweede lid, onderdeel b (nieuw), van de beleidsregel).

 

2.2. Direct gedupeerde ondernemingen in de toeleveringsketen

Ten tweede zijn de sectoren toegevoegd waarvan aannemelijk is dat zij vrijwel uitsluitend leveren aan de direct gedupeerde ondernemingen en daardoor indirect getroffen worden door de overheidsmaatregelen. Het betreft ondernemingen die zich één stap terug in de keten bevinden. Ook zijn hierin de zogenoemde ‘gemengde’ sectoren opgenomen, waarin ondernemingen actief zijn die zowel direct leveren aan consumenten als aan de direct getroffen ondernemingen, of ondernemingen die voor hun omzet grotendeels afhankelijk zijn van op last van de overheid ontraden of verboden activiteiten, zoals bijeenkomsten en evenementen (bijvoorbeeld fotografen, de beveiligingsbranche en toeleveranciers van festivals). Deze ondernemingen zijn toegevoegd aan de doelgroep van de beleidsregel, omdat een groot deel logischerwijs in zware mate vervolgschade ondervinden van de overheidsmaatregelen. Veel ondernemingen in deze toeleveringssector zien hun omzet namelijk teruglopen, doordat direct gedupeerde ondernemingen, zoals ondernemingen in de retail of horeca, als gevolg van de overheids-maatregelen minder producten of diensten bij hen afnemen of omdat zij producten of diensten leveren ten behoeve van activiteiten die zijn ontraden of verboden.De lijst van SBI-codes van de gedupeerde ondernemingen in de toeleveringsketen (zie de begripsbepaling gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen, met deze wijziging opgenomen in artikel 1 van de beleidsregel) zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage 1 bij de beleidsregel. Het betreft bijvoorbeeld de groothandel in retail en horeca, fotografen, uitzendbureaus die bijvoorbeeld uitzendkrachten verzorgen voor de evenementensector en horeca of ondernemingen die bedrijfsopleidingen en -trainingen verzorgen.Voor deze gedupeerde ondernemingen in de toeleveringsketen geldt een aanvullende voorwaarde om in aanmerking te komen voor de tegemoetkoming (zie artikel 2, derde lid (nieuw), van de beleidsregel), te weten een verklaring dat de onderneming het omzetverlies van € 4.000 verwacht te lijden doordat de onderneming voor minimaal zeventig procent van zijn omzet afhankelijk is van direct gedupeerde ondernemingen of van activiteiten die als gevolg van de overheidsmaatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 verboden zijn of ontraden worden, zoals het verbod op evenementen en de oproep tot het stoppen van recreatieactiviteiten (artikel 4, tweede lid, onderdeel j (nieuw), van de beleidsregel).

 

Deze aanvullende voorwaarde is opgenomen, om te borgen dat alleen de ondernemingen uit deze sectoren in aanmerking komen, die daadwerkelijk (indirect) hard geraakt worden door de overheids-maatregelen, doordat zij voor een substantieel deel van hun omzet afhankelijk zijn van direct geraakte sectoren of van verboden of ontraden activiteiten. Voor toeleveranciers die niet aan deze eis voldoen is het aannemelijk dat hun onderneming in beperktere mate geraakt wordt door de overheidsmaatregelen, doordat zij zich kunnen richten op activiteiten die gewoon doorgang kunnen vinden.Bij een controle achteraf kan de minister de gedupeerde onderneming in de toeleveringsketen om bewijsstukken vragen waaruit blijkt waar de verklaring op gebaseerd was, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van de aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020 (artikel 6, tweede lid, onderdeel c (nieuw), van de beleidsregel).

 

2.3. Gedupeerde zorgondernemingen

Tot slot is een aantal zorgsectoren toegevoegd die hun omzet zien dalen door de overheidsmaatregelen. Dit komt doordat mensen terughoudend zijn in het naar de fysiotherapeut gaan, of doordat bijvoorbeeld tandartsen vanuit veiligheid zelf hun activiteiten terugschroeven. Deze gedupeerde zorgondernemingen (zie de in artikel 1 opgenomen begripsbepaling gedupeerde zorgonderneming) zijn opgenomen in tabel 3 van bijlage 1 bij de beleidsregel.In tegenstelling tot de eerder genoemde direct gedupeerde ondernemingen, geldt voor deze gedupeerde zorgondernemingen dat er in veel gevallen tevens tegemoetkomingen worden verstrekt door zorginkopers (zoals zorgverzekeraars, zorgkantoren en gemeenten), ter compensatie van het omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19. Daarom komen gedupeerde zorgondernemingen alleen in aanmerking voor een tegemoetkoming indien deze ook na aftrek van de tegemoetkoming van zorginkopers (én na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19) verwachten in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 ten minste € 4.000 aan omzetverlies te lijden en ten minste € 4.000 aan vaste lasten te hebben (artikel 2, vierde lid (nieuw), van de beleidsregel). Hierover dienen gedupeerde zorgondernemingen bij de aanvraag een verklaring in te dienen (artikel 4, tweede lid, onderdeel k (nieuw), van de beleidsregel). Bij een controle achteraf kan de minister de gedupeerde zorgonderneming vragen om bewijsstukken waaruit dit blijkt, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of de aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020 en een kopie van de stukken uit de boekhouding van 2020 waaruit blijkt wat de hoogte is van de tegemoetkomingen die de zorgonderneming heeft ontvangen van de zorginkopers ter compensatie van het omzetverlies als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van COVID-19 (artikel 6, tweede lid, onderdeel d (nieuw), van de beleidsregel).

 

Ook thuiszorgwinkels vallen onder het begrip gedupeerde zorgondernemingen. Thuiszorgwinkels vallen onder de SBI-code 47.74.2. Echter vallen onder deze SBI-code ook andere ondernemingen. Om ervoor te zorgen dat binnen deze SBI-code alleen ondernemers met een thuiszorgwinkel een aanvraag kunnen doen, is in tabel 3 van de bijlage een nadere specificatie opgenomen, dat alleen ondernemingen uit deze SBI-code die een thuiszorgwinkel zijn, in aanmerking komen. De aanvrager die in deze SBI-code valt, dient bij aanvraag dan ook te verklaren dat de onderneming een thuiszorgwinkel is.

 

3. Uitzondering op de eis van vestiging met een ander adres van het privéadres van de eigenaar of eigenaren van de onderneming

 

De tegemoetkoming is bedoeld als tegemoetkoming in omvangrijke vaste lasten, anders dan personeelslasten. De tegemoetkoming wordt daarom alleen verstrekt aan ondernemingen met een vestiging buiten de woning waar de eigenaar of eigenaren van de onderneming zelf wonen. In eerste instantie is daarom als eis opgenomen dat de onderneming ten minste één vestiging moet hebben met een ander adres dan het privéadres van de eigenaar of eigenaren van de onderneming. Alleen horecaondernemingen waren in eerste instantie van deze vestigingseis uitgezonderd, voor zover zij ten minste één horecagelegenheid huren, pachten of in eigendom hebben.

 

Gebleken is echter dat ook in andere sectoren ondernemingen actief zijn waarbij het vestigingsadres overeenkomt met het woonadres van de ondernemer, terwijl er wel sprake is van een fysiek van de woning afgescheiden vestiging met omvangrijke periodieke vaste lasten. Dit geldt bijvoorbeeld in de sectoren haarverzorging en schoonheidsverzorging, maar bijvoorbeeld ook voor de houder van een manege op het eigen erf. Om ook deze ondernemingen met omvangrijke periodieke vaste lasten in aanmerking te laten komen voor de TOGS, is een algemene uitzondering van deze vestigingseis opgenomen, waarmee een onderneming, die ingeschreven staat op het privéadres van de eigenaren, onder bepaalde voorwaarden alsnog in aanmerking komt voor de tegemoetkoming. Daartoe dient de vestiging fysiek afgescheiden te zijn van de privéwoning van de ondernemers en voorzien te zijn van een eigen opgang of toegang (zie de wijziging van onderdeel c, onder 1°, van de begripsbepaling gedupeerde onderneming, opgenomen in artikel 1 van de beleidsregel). In dat geval kan er immers van uitgegaan worden dat er sprake is van omvangrijke periodiek vaste lasten voor de vestiging. Ondernemingen die op deze grond in aanmerking willen komen voor een tegemoetkoming, dienen bij aanvraag te verklaren dat zij een fysiek van de woning afgescheiden vestiging met eigen opgang of toegang hebben. Daarbij dienen die ondernemingen bij de aanvraag een bewijs mee te leveren, waaruit blijkt dat de gedupeerde onderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar of eigenaren van de onderneming en voorzien is van een eigen opgang of toegang, zoals een kopie van een zakelijke huur- of koopovereenkomst van de vestiging of een kopie van de belastingaangifte van het jaar 2019 waaruit blijkt dat er sprake is van een werkruimte waarvan de vaste lasten en kosten fiscaal aftrekbaar zijn als bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (artikel 4, tweede lid, onderdeel h (nieuw), van de beleidsregel). Mocht dit bewijs onvoldoende blijken te zijn, dan kan de minister bij een controle achteraf om aanvullende bewijsstukken vragen ter onderbouwing van deze verklaring (artikel 6, tweede lid, onderdeel a (nieuw), van de beleidsregel.

 

Ondernemingen die een vestiging hebben met een ander adres dan het woonadres van de eigenaar van de onderneming, komen dus automatisch in aanmerking voor de tegemoetkoming, waar collega-ondernemingen die ingeschreven staan op het huisadres pas in aanmerking komen als blijkt uit de verklaring dat zij een fysiek van de woning afgescheiden vestiging hebben, die voorzien is van een eigen opgang of toegang.

 

Daarnaast zijn er sectoren, waarbij het evident is dat de ondernemers geen externe vestiging hebben en dus met hun bedrijf staan ingeschreven op het woonadres. Kenmerkend voor deze ondernemingen is dat zij hun bedrijf niet uitoefenen vanuit een vaste vestiging, maar met ambulante bedrijfsmiddelen, die voor hoge vaste kosten zorgen. Het betreft bedrijfsmiddelen die cruciaal zijn voor de bedrijfsvoering. Een voorbeeld zijn de auto- en motorrijschoolhouders die veelal op hun huisadres geregistreerd staan maar omvangrijke lasten dragen voor hun lesvoertuig(en). Andere sectoren, naast auto- en motorrijschoolhouders, waarvoor dit geldt zijn taxibedrijven, touringcar operators, markthandelaren, kermisexploitanten en binnenvaartdienstverleners (passagiersvaart en veerdiensten). Voor deze ambulante ondernemingen (zie begripsbepaling ambulante onderneming in artikel 1 van de beleidsregel) geldt in het geheel bovengenoemde vestigingseis niet, aangezien het evident is dat deze sectoren hoge vaste lasten hebben. De opsomming van deze ambulante ondernemingen is limitatief.

 

4. Regeldruk

De regeldruk voor ondernemingen die met deze wijziging nu ook aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming van € 4.000 euro, behelst het kennisnemen van de gewijzigde beleidsregel, het invullen van de aanvraag en het afgeven van de bedoelde verklaringen. Voor een aantal van de nieuw toegevoegde sectoren geldt dat er een extra verklaring wordt geëist. Aangezien dit eenvoudig kan worden gedaan middels het aanvinken van de verklaring op een afvinklijstje dat opgenomen is bij het aanvraagformulier leidt dit in de praktijk niet of nauwelijks tot aanvullende kosten.Uitgegaan wordt van een verwachte tijdsbesteding van een half uur voor de kennisneming, en een kwartier voor de invulling van de complete aanvraag, in totaal 45 minuten. Dit komt – bij een standaarduurtarief van € 39 (conform het Handboek Meting Regeldrukkosten) – neer op € 29,25 per onderneming. Uitgaande van circa 235.000 ondernemingen uit de nieuw toegevoegde sectoren die een aanvraag zullen doen, komen de totale regeldrukkosten voor deze groep ondernemingen uit op circa € 6.873.750.

 

Ondernemers die ingeschreven staan op hun woonadres dienen bij de aanvraag een bewijs mee te leveren, zoals een kopie van een zakelijke huur- of koopovereenkomst van de vestiging of een kopie van de belastingaangifte van het jaar 2019, waaruit blijkt dat de gedupeerde onderneming een vestiging heeft die fysiek afgescheiden is van de privéwoning van de eigenaar of eigenaren van de onderneming en voorzien is van een eigen opgang of toegang. Het opzoeken en toevoegen van deze bewijsstukken kost een ondernemer naar verwachting 5 tot 10 minuten (gemiddeld 7,5 minuut), waarmee er voor deze ondernemingen € 4,75 euro aan regeldrukkosten bij komt. Aangezien niet bekend is om hoeveel ondernemingen het hier gaat kunnen de totale extra regeldrukkosten voor deze groep ondernemers niet goed worden ingeschat.

 

Bij eventueel aanvullende controle achteraf kunnen de gedupeerde ondernemingen gevraagd worden om bewijsstukken aan te leveren, zoals een kopie van de omzetgegevens uit de boekhouding of van aangifte van de omzetbelasting over 2019 of 2020. Afhankelijk van de soort en het aantal gevraagde bewijsstukken kost het opzoeken en verstrekken van dergelijke stukken naar verwachting 20 tot 40 minuten (gemiddeld 30 minuten). Aangezien nu niet duidelijk is hoeveel ondernemingen om aanvullende bewijsstukken zal worden gevraagd, kunnen de totale kosten hiervan niet worden ingeschat. De kosten per ondernemer komen uit op circa € 19,50.

 

4. Inwerkingtreding

 

Deze beleidsregel treedt, met uitzondering van artikel I, onderdelen A, onder 2, B, onder 2, C, onder 3, D, onder 4, en E, onder 5, in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij is geplaatst en werkt:

a. ten aanzien van artikel I, onderdeel E, onder 1, 2 en 3, terug tot en met 30 maart 2020. Ten eerste worden hiermee een aantal kennelijke fouten met betrekking tot de SBI-codes hersteld. Daarnaast betreft dit de toevoeging van de sector retail non-food aan de SBI-codes, opgenomen in bijlage 1 van de Beleidsregel tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren COVID-19. Terugwerkende kracht voor de toevoeging van deze doelgroep tot 30 maart 2020 is nodig, omdat ondernemingen uit deze sectoren al sinds die datum bij RVO een aanvraag kunnen indienen op basis van de beleidsregel (zoals deze luidde op het moment van aanvraag). Hiermee is geborgd dat voor deze sectoren de tegemoetkoming zo spoedig mogelijk kon worden aangevraagd. In dit verband wordt opgemerkt dat het toevoegen van de betreffende SBI-codes aan de beleidsregel een begunstigend karakter heeft.

 

b.ten aanzien van artikel I, onderdelen A, onder 1 en 3, B, onder 1, C, onder 1 en 2, D, onder 1, 2 en 3, en E, onder 4, terug tot en met 15 april 2020. Vanaf die datum kunnen ook de overig met deze beleidsregel toegevoegde sectoren een aanvraag bij RVO indienen, en kunnen ondernemingen gebruik maken van de algemene, voorwaardelijke, uitzondering van de vestigingseis (waarbij een onderneming ten minste een vestiging dient te hebben met een ander adres dan het woonadres van de ondernemer(s)). Hiermee is geborgd dat ook voor deze ondernemingen de tegemoetko-ming zo spoedig mogelijk kon worden aangevraagd. In dit verband wordt opgemerkt dat het toevoegen van de betreffende SBI-codes aan de beleidsregel een begunstigend karakter heeft.

 

De bepalingen met betrekking tot zorgondernemingen (artikel I, onderdelen A, onder 2, B, onder 2, C, onder 3, D, onder 4 en E, onder 5) treden op 22 april 2020 in werking. Zorgondernemingen dienen te verklaren dat zij ten minste € 4.000 omzetverlies ten minste € 4.000 vaste lasten verwachten in 2020, ook na aftrek van de tegemoetkoming van zorginkopers. De regelingen van de zorginkopers met betrekking tot de tegemoetkomingen worden echter na 15 april 2020 gelanceerd. Het is voor zorgondernemingen op 15 april dus nog onduidelijk wat voor tegemoetkoming ze ontvangen van de zorginkopers en of ze na het ontvangen van de tegemoetkoming nog voldoen aan het hierboven genoemde criterium van de TOGS. Eind april 2020 zal het overgrote deel van de regelingen van de zorginkopers open zijn en/of de criteria van de regelingen bekend zijn. Daarom is besloten om het noodloket bij RVO voor zorgondernemingen pas te openen vanaf 22 april 2020.

 

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

E.D. Wiebes

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

M.C.G. Keijzer

 

1Te raadplegen via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-covid-19/documenten/kamerstukken/2020/04/07/kamerbrief-maatregelen-ondernemers