Home » Aflossing rekening-courant via dividend

Aflossing rekening-courant via dividend

Publicatiedatum

09/04/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer BIK code

ECLINLGHDHA2020673, BK-18/01093

De rekening-courantschuld van een dga aan zijn bv liep in een reeks van jaren op van ruim € 700.000 in 2004 tot bijna € 1,4 miljoen in 2012. Nadat de inspecteur bij de aanslagslagregeling voor het jaar 2007 een uitdeling van € 815.000 in aanmerking had genomen vanwege een te hoge schuld aan de bv, kwam in de loop van het jaar 2014 een compromis tot stand. Het compromis werd in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd.

Volgens het compromis zou de bv dividend uitkeren aan de dga. Het na aftrek van dividendbelasting resterende bedrag zou worden gebruikt ter betaling van rente en aflossing op de schuld aan de bv. Daarnaast was het de dga niet toegestaan om nieuwe opnames in rekening-courant te doen. Wanneer dit wel zou gebeuren, zouden deze bedragen naast de dividenduitkeringen ook als uitdeling worden aangemerkt. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft de bv dividend uitgekeerd van in totaal € 370.000. De bv heeft een bedrag van € 55.500 aan dividendbelasting ingehouden en afgedragen.

De vraag was of de inspecteur het bedrag van het bruto dividend terecht in 2014 bij de dga in de heffing van inkomstenbelasting heeft betrokken als inkomen uit aanmerkelijk belang.

Volgens de dga stond in de vaststellingsovereenkomst dat de belastingheffing over de dividenduitkeringen beperkt zou blijven tot de heffing van dividendbelasting. Met een overeenkomst op grond waarvan de dividenden belast zouden worden met een heffing van in totaal 25% zou hij niet akkoord zijn gegaan. De inspecteur voerde aan dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten om het probleem van de hoge rekening-courantschuld aan de bv op te lossen. De tekst van de vaststellingsovereenkomst was door de gemachtigde van de dga opgesteld. Volgens de inspecteur bleek uit de correspondentie over de vaststellingsovereenkomst niet dat het de bedoeling was de heffing van inkomstenbelasting over het dividend achterwege te laten.

Hof Den Haag was van oordeel dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst geen steun bieden aan de door de dga verdedigde uitleg daarvan. De vaststellingsovereenkomst bevat geen bepaling over hoeveel belasting is verschuldigd over het dividend. De bepaling waarin staat in hoeverre de bedragen aan uit te keren dividend moeten worden gebruikt voor de betaling van rente en aflossing op de schuld aan de bv houdt niet in dat er geen inkomstenbelasting bij de dga zal worden geheven over de dividenduitkeringen.

Het hof merkte op dat de heffing van inkomstenbelasting over de aan de dga uitgekeerde dividenden rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Als zijn gemachtigde in afwijking van de wettelijke regeling de dividenden uitsluitend in de heffing van dividendbelasting had willen laten betrekken, had hij dit aan de inspecteur duidelijk moeten maken. Ten slotte hoefde de inspecteur niet uit de context waarin de vaststellingsovereenkomst is gesloten te begrijpen dat de dga uitsluitend dividendbelasting wenste te betalen over de dividenduitkeringen. De vaststellingsovereenkomst leidde immers ook bij de heffing van inkomstenbelasting over de dividenduitkeringen tot een gunstiger uitkomst dan de door de inspecteur bij de aanslag over 2007 aangebrachte correctie. De belasting zou door het compromis later en gespreid over meerdere jaren worden betaald en de boete zou geheel komen te vervallen.

 

BRONDOCUMENT

 

ECLINLGHDHA2020673

Instantie Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak 25-03-2020

Datum publicatie 01-04-2020

Zaaknummer BK-18/01093

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2018:13461, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan 

Rechtsgebieden Belastingrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

 

Inhoudsindicatie Belanghebbende is enig aandeelhouder van een BV. De Inspecteur had bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2007 de hele rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV als uitdeling aangemerkt. In 2014 hebben partijen ter beëindiging van dat geschil een vaststellingsovereenkomst (vso) gesloten. Daarin is bepaald op welke momenten en tot welke bedragen de BV dividend zal uitkeren aan belanghebbende en dat de na aftrek van dividendbelasting aan belanghebbende toekomende bedragen zullen dienen ter betaling van rente en aflossing op de schuld. Bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2014 heeft de Inspecteur de door de BV op grond van de vso gedane dividenduitkeringen gerekend tot belanghebbendes inkomen uit aanmerkelijk belang. Volgens belanghebbende ten onrechte omdat uit de vso volgt dat over de dividenduitkeringen alleen dividendbelasting is verschuldigd. Het Hof legt met toepassing van het Haviltex-criterium de vso aldus uit dat deze uitsluitend bepaalt in hoeverre de dividenduitkeringen moeten worden gebruikt voor aflossing op de schuld aan de BV en dus niet hoeveel belasting daarover is verschuldigd. Het gelijk is aan de Inspecteur.

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl; Viditax (FutD), 01-04-2020; V-N Vandaag 2020/814 

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF DEN HAAG

 

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-18/01093

 

Uitspraak van 25 maart 2020 in het geding tussen X te Z, belanghebbende, (gemachtigde: [A]) en de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Den Haag, de Inspecteur,

 

(vertegenwoordigd door [B] en [C] ) op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 november 2018, nummer SGR 18/3116.

 

Procesverloop

 

1.1.      Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 370.000 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 2.507 aan belastingrente in rekening gebracht (beschikking belastingrente).

 

1.2.      Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag en de beschikking belastingrente afgewezen.

 

1.3.      Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het volgende beslist:

"De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PV 2014 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit

werk en woning van € 105.000 met inachtneming van hetgeen onder 14 is

opgenomen en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- veroordeelt [de Inspecteur] in de proceskosten van [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.251;

- draagt [de Inspecteur] op het betaalde griffierecht van € 46 aan [belanghebbende] te vergoeden."

 

1.4.      De Inspecteur is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.

 

1.5.      De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 februari 2020. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

 

Vaststaande feiten

2.1.      Belanghebbende is enig aandeelhouder van en als werknemer in dienst bij [Y] BV (de BV). In de loop van de jaren heeft belanghebbende gelden in rekening-courant geleend bij zijn BV. De debetstand van de rekening-courant per balansdatum van de BV bedroeg respectievelijk:

2004    € 731.619

2005    € 829.076

2006    € 913.662

2007    € 1.003.260

2008    € 1.095.169

2009    € 1.158.590

2010    € 1.237.614

2011    € 1.311.106

2012    € 1.392.624

 

2.2.      De Inspecteur heeft bij de aanslagslagregeling voor het jaar 2007 bij belanghebbende een uitdeling van € 815.196 in aanmerking genomen vanwege een te hoge schuld in rekening-courant aan de BV. Belanghebbende heeft tegen die aanslag bezwaar gemaakt, welk bezwaar door de Inspecteur is afgewezen.

 

2.3.      Naar aanleiding van de behandeling van het geschil betreffende de aanslag voor het jaar 2007 ter zitting van de Rechtbank, zijn belanghebbende en de Inspecteur door de Rechtbank in de gelegenheid gesteld om met elkaar te overleggen om tot een aanvaardbare oplossing te komen voor de oplopende rekening-courantschuld. In dit kader heeft de Inspecteur op 6 mei 2014 een e-mail gestuurd aan de gemachtigde van belanghebbende, waarin hij schrijft:

"(…)

Tijdens de zitting van de Rechtbank Den Haag inzake uw cliënt [belanghebbende] hebben wij een maand de tijd gekregen om de zaak nog eens met elkaar te bespreken ten einde tot een aanvaardbare oplossing te komen voor afbouw van de rekening-courant.

Ik heb u na de zitting het voorstel gedaan dat u op korte termijn met uw cliënt overlegd en mij een voorstel doet.

In vervolg hierop verzoek ik u mij uiterlijk volgende week te laten weten op welke wijze uw cliënt denkt het probleem van de oplopende rekening-courant op te lossen. Aan de hand van het voorstel kunnen we de zaak dan verder bespreken en proberen voor 6 juni 2014 tot een oplossing te komen.

(…)"

 

2.4.      Bij brief van 20 mei 2014 heeft (de gemachtigde van) belanghebbende het volgende voorstel gedaan:

"(…)

Conform afspraak doe ik u bij deze namens [belanghebbende] het volgende voorstel om op termijn tot aflossing van diens schuld aan [de BV] te komen.

De jaarlijkse rente zal bedragen 4% van het gemiddelde van de bedrag van de saldi per begin en einde van een betreffend jaar.

[De BV] zal aan het eind van de maand juni 2014 een dividend uitkeren tenminste groot € 250.000 en vervolgens elk kwartaal, voor het eerst eind september 2014 een dividend ad minimaal € 60.000.

De na aftrek van dividendbelasting aan [belanghebbende] toekomende bedragen zullen dienen ter betaling van rente en aflossing op de schuld aan de [BV].

Mocht u nader overleg wenselijk achten, dan verneem ik dat wel, liefst per email van

u.

(…)"

 

2.5.      De Inspecteur heeft vervolgens per e-mail van 27 mei 2014 gereageerd op het voorstel van belanghebbende:

"(…)

Ik heb uw voorstel van 20 mei 2014 inzake de aflossing van de rekening-courant van [belanghebbende] bij [de BV] in goede orde ontvangen.

Van dit voorstel uitgaande moeten wij er op korte termijn uit kunnen komen.

Ik heb wel één aanvulling: er worden vanaf heden geen nieuwe opnames in rekening-courant meer gedaan. Wanneer dit wel gebeurt worden deze bedragen naast de door u voorgestelde dividenduitkeringen ook als uitdeling aangemerkt.

Ik stel voor dat we één en ander vastleggen in een vaststellingsovereenkomst en die ook door [belanghebbende] laten ondertekenen.

Het belangrijkste is dat de rekening-courant wordt afgelost. Wanneer de vaststellingsovereenkomst tot stand komt betekent dit voor mij dan dat de bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2007 toegepaste correctie en de vergrijpboete geheel komen te vervallen.

Wanneer u en [belanghebbende] zich ook kunnen vinden in mijn aanvullende voorwaarden dan hoor ik dat graag zo spoedig mogelijk van u. Ik zal dan een concept-vaststellingsovereenkomst maken en die z.s.m. toezenden.

Hopelijk lukt het dan om de Rechtbank uiterlijk 6 juni 2014 te berichten dat wij tot overeenstemming zijn gekomen.

(…)"

 

2.6.      Op 16 juni 2014 heeft de gemachtigde van belanghebbende een door hem en door belanghebbende getekend exemplaar van de vaststellingsovereenkomst aan de Inspecteur gezonden. Op dezelfde dag heeft de Inspecteur de vaststellingsovereenkomst getekend. In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

"(…)

 

3 Omschrijving van geschil of onzekerheid

Bij het vaststellen van de definitieve aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 ten name van [belanghebbende] is een deel van de rekening-courant schuld van [belanghebbende] bij [de BV] aangemerkt als uitdeling (inkomen uit aanmerkelijk belang). In de aanslag is tevens een vergrijpboete van € 50.000 begrepen. In geschil is deze aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 voor zover deze betrekking heeft op het inkomen uit aanmerkelijk belang en de vergrijpboete.

 

4 Inhoud van de overeenkomst

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

A. De rekening-courant zal worden afgelost door middel van dividenduitkeringen. Voor het eerst zal eind juni 2014 een dividend worden uitgekeerd van € 250.000. Vervolgens zal elk kwartaal, voor het eerst eind september 2014, een dividend worden uitgekeerd van minimaal € 60.000.

B. De na aftrek van dividendbelasting aan [belanghebbende] toekomende bedragen zullen dienen ter betaling van rente en aflossing op de schuld aan [de BV].

C. Over het gemiddelde bedrag van de saldi per begin en einde van het betreffende jaar wordt een jaarlijkse rente berekend van 4%.

D. Vanaf de datum van ondertekening van deze overeenkomst worden door [belanghebbende] geen nieuwe opnames in rekening-courant bij [de BV] gedaan.

E. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 zal door [de Inspecteur] worden verminderd waarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt vastgesteld op nihil en de vergrijpboete wordt verminderd tot nihil.

F. [De Inspecteur] zal het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2007 intrekken.

G. Er vindt geen vergoeding plaats van kosten voor de bezwaar- en beroepsfase. Wel zal [de Inspecteur] na ontvangst van bericht van intrekking van het beroep het betaalde griffierecht vergoeden.

(…)"

 

2.7.

Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft de BV aan belanghebbende dividenden uitgekeerd van in totaal € 370.000 (€ 250.000 op 30 juni 2014 en € 60.000 op 30 september 2014 en 30 december 2014). Ter zake van de dividenduitkeringen is door de BV een bedrag van € 55.500 aan dividendbelasting ingehouden en afgedragen.

 

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

 

"(…)

Beoordeling van het geschil

12. Voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst is van belang dat het gaat om een vaststellingsovereenkomst die ertoe strekt een einde te maken aan het geschil over de vraag of de door [belanghebbende] in rekening courant opgenomen bedragen in aanmerking moeten worden genomen als winstuitdeling. Deze overeenkomst is tot stand gekomen, na tussenkomst van de rechtbank, na intensieve onderhandelingen tussen gelijkwaardige en professionele partijen. Het gaat hier om een belastingadviseur en een medewerker van de Belastingdienst, die geacht mogen worden even deskundig te zijn in het opstellen van overeenkomsten als de onderhavige. Dit is reden om aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen groot gewicht toe te kennen (vgl. HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178 en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4909). Dat neemt niet weg dat de overige omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft immers de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, r.o. 3.4.3).

 

13. [ Belanghebbende] stelt dat artikel 4B letterlijk en zonder voorbehoud bepaalt dat de belastingheffing over de dividenduitkeringen beperkt blijft tot de heffing van dividendbelasting en dat de resterende (netto) bedragen zullen dienen tot betaling van de rente en aflossing op de schuld aan [de BV]. Gelet op de letterlijke tekst van voornoemd artikel en de ter zitting door [belanghebbende] gegeven toelichting kan de rechtbank [belanghebbende] volgen in de door hem verdedigde uitleg van deze bepaling. [Belanghebbende] stelt in dit verband dat de overeenkomst mede tot stand is gekomen in het kader van de uitruil door [de Inspecteur] van de onzekerheid of navordering over een deel van de rekening-courantschuld nog wel mogelijk was in verband met verjaring, tegen de heffing van 15% dividendbelasting over de totale rekening-courantschuld. Indien [belanghebbende] ook nog IB/PVV verschuldigd zou zijn, had het voor hem geen enkele zin gehad een dergelijke overeenkomst te sluiten, aldus [belanghebbende]. Per saldo zou dit immers neerkomen op een betalingsregeling die hij, gezien zijn financiële positie op dat moment, toch niet had kunnen nakomen. In dat geval zou hij ervoor hebben gekozen het beroep tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 voort te zetten. De rechtbank acht deze toelichting aannemelijk, niet onlogisch en geheel in lijn met de letterlijke tekst van de vaststellingsovereenkomst. Hierbij neemt de rechtbank tevens in overweging dat de overeenkomst niet is gesloten met [de BV] in het kader van de vennootschapsbelasting, maar met [belanghebbende] in het kader van de aanslag IB/PVV 2007. [De Inspecteur] stelt in dit verband namelijk dat hij ervan is uitgegaan dat de heffing van IB/PVV over de dividenduitkeringen vanzelfsprekend was en verder niet ter discussie stond. [De Inspecteur] heeft echter zelf de tekst van de vaststellingsovereenkomst opgesteld in het kader van de heffing van IB/PVV en van hem had dan verwacht mogen worden dat hij dit dan toch ook expliciet had opgenomen in de overeenkomst. De rechtbank houdt [de Inspecteur] aldus aan de letterlijke tekst van de vaststellingsovereenkomst en ziet in hetgeen [de Inspecteur] heeft aangevoerd geen aanleiding daarvan af te wijken.

 

14. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard. Bij de in het dictum hieronder opgenomen vermindering van de aanslag dient wel in ogenschouw te worden genomen dat geen recht meer bestaat op verrekening van de dividendbelasting ad € 55.500. Immers het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang is niet langer in de aanslag begrepen en dan bestaat er ook geen recht meer op verrekening en blijft de belastingheffing over het voordeel uit aanmerkelijk belang - in overeenstemming met de vaststellingsovereenkomst - beperkt tot de dividendbelasting.

 

(…)"

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

 

4.1.

Evenals voor de Rechtbank in is hoger beroep in geschil of de dividenduitkeringen van in totaal € 370.000 terecht tot het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang zijn gerekend. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.

 

4.2.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

 

4.3.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

 

Beoordeling van het hoger beroep

 

5.1.

Partijen verschillen van mening over de uitleg van het bepaalde in onderdeel 4B van de vaststellingsovereenkomst. Volgens belanghebbende moet dit onderdeel aldus worden uitgelegd dat over de dividenduitkeringen alleen dividendbelasting verschuldigd is. De gemachtigde van belanghebbende betoogt dat onderdeel 4B niet had hoeven te worden opgenomen als er nog een aanvullende IB/PVV-heffing van 10% verschuldigd zou worden, en dat hij noch belanghebbende akkoord zou zijn gegaan met een overeenkomst op grond waarvan de dividenden belast zouden worden met een heffing van in totaal 25%. De Inspecteur heeft daar tegenover gesteld dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten om uitsluitend het probleem van de hoge rekening-courantschuld aan de BV op te lossen. De gemachtigde heeft zelf de tekst van onderdelen 4A tot en met 4C opgesteld, zonder daarbij aan te geven hoe een en ander in de belastingheffing zou worden betrokken. Ook uit de correspondentie tussen partijen blijkt volgens de Inspecteur niet dat het de bedoeling was de heffing van IB/PVV achterwege te laten.

 

5.2.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 (Haviltex), volgt dat de uitleg van een overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf. Ingevolge deze maatstaf kan de vraag hoe de verhouding tussen partijen in een overeenkomst is geregeld, niet alleen worden beantwoord op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Beslissend is de betekenis die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen; zie HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493 (Pensioenfonds DSM/Fox).

 

5.3.

De vaststellingsovereenkomst is tot stand gekomen in het kader van de tussen partijen gevoerde procedure over de aanslag IB/PVV voor het jaar 2007, waarbij de Inspecteur een bedrag van € 815.196 vanwege de rekening-courantschuld van belanghebbende aan de BV in aanmerking had genomen als inkomen uit aanmerkelijk belang en een boete had opgelegd. In zijn e-mail van 6 mei 2014 (zie 2.3) heeft de Inspecteur de gemachtigde eraan herinnerd dat de Rechtbank Den Haag hun een maand de tijd had gegeven om tot een aanvaardbare oplossing te komen voor afbouw van de rekening-courant, en de gemachtigde verzocht uiterlijk de volgende week te laten weten “op welke wijze uw cliënt denkt het probleem van de oplopende rekening-courant op te lossen”. Vervolgens heeft de gemachtigde op 20 mei 2014 een voorstel gedaan (zie 2.4), waarin, naast een bepaling over de hoogte van de rente, is opgenomen wanneer en tot welke bedragen de BV dividend zou uitkeren aan belanghebbende en dat “[d]e na aftrek van dividendbelasting aan [belanghebbende] toekomende bedragen zullen dienen ter betaling van rente en aflossing op de schuld aan de [BV].” Daarop heeft de Inspecteur bij e-mail van 27 mei 2014 (zie 2.5) aan de gemachtigde laten weten één aanvulling op het voorstel te hebben, namelijk dat er geen nieuwe opnames in rekening-courant meer worden gedaan en dat, mocht dit wel gebeuren, deze bedragen “naast de door u voorgestelde dividenduitkeringen ook als uitdeling [worden] aangemerkt”. Ten slotte is de vaststellingsovereenkomst in juni 2014 door de Inspecteur opgesteld en door partijen ondertekend. In de vaststellingsovereenkomst (zie 2.6) zijn de door de gemachtigde voorgestelde bepalingen nagenoeg letterlijk opgenomen. Verder is de aanvulling van de Inspecteur opgenomen en is bepaald dat de aanslag IB/PVV 2007 zal worden vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en dat ook de boete zal worden verminderd tot nihil.

 

5.4.1.

Anders dan de Rechtbank, is het Hof van oordeel dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst geen steun bieden aan de door belanghebbende verdedigde uitleg daarvan. De vaststellingsovereenkomst (evenals het daaraan ten grondslag liggende voorstel van de gemachtigde van 20 mei 2014) bevat geen enkele bepaling over hoeveel belasting is verschuldigd over de dividenden. In onderdeel 4A is vermeld op welke momenten en tot welke bedragen de BV dividend zal uitkeren aan belanghebbende. In onderdeel 4B wordt vervolgens alleen bepaald in hoeverre de bedragen aan uit te keren dividend moeten worden gebruikt voor de betaling van rente en aflossing op de schuld aan de BV, te weten de na aftrek van dividendbelasting aan belanghebbende toekomende bedragen (dus 85% van elke dividenduitkering).

 

5.4.2.

Het Hof is voorts van oordeel dat de Inspecteur ook niet hoefde te begrijpen dat bij de gemachtigde bij het voorstellen van onderdeel 4B van de vaststellingsovereenkomst de bedoeling heeft voorgezeten dat uitsluitend dividendbelasting verschuldigd zou zijn. Het lag immers in de rede dat van de aan belanghebbende uitgekeerde dividenden slechts het na inhouding van de dividendbelasting resterende bedrag zou worden gebruikt voor de betaling van rente en aflossing op de rekening-courantschuld, omdat de BV alleen het nettodividend met de schuld kon verrekenen. De aanmerkelijkbelangheffing over de dividenduitkeringen stond hier los van.

 

5.4.3.

Verder geldt dat de heffing van IB/PVV over de aan belanghebbende uitgekeerde dividenden rechtstreeks uit de wet voortvloeit. Als belanghebbendes professionele gemachtigde - jurist en werkzaam bij [D] , dat blijkens het verweerschrift in hoger beroep actief is op het gebied van accounting en belastingadvies - in afwijking van de wettelijke regeling de dividenden uitsluitend in de heffing van dividendbelasting had willen laten betrekken, had hij dit aan de Inspecteur duidelijk moeten maken. Bij gebreke van enige uitlating op dat punt van de kant van belanghebbende of diens gemachtigde, kon het de Inspecteur niet bekend zijn dat belanghebbende niet akkoord zou kunnen gaan met de vaststellingsovereenkomst als ook IB/PVV over de dividenden zou worden geheven. Dat de Inspecteur dit ook daadwerkelijk niet bevroedde blijkt uit diens e-mail van 27 mei 2014, waarin hij schrijft dat nieuwe opnames in rekening-courant “naast de door u voorgestelde dividenduitkeringen ook als uitdeling [worden] aangemerkt”. Ook na de ontvangst van dit bericht heeft de gemachtigde evenwel nagelaten de Inspecteur over dit voor belanghebbende essentiële punt helderheid te verschaffen.

 

5.4.4.

Ten slotte hoefde de Inspecteur ook niet uit de context waarin de vaststellingsovereenkomst is gesloten, te weten de procedure over de aanslag IB/PVV 2007, te begrijpen dat belanghebbende uitsluitend dividendbelasting wenste te betalen over de dividenduitkeringen. De vaststellingsovereenkomst leidde immers, anders dan belanghebbende betoogt, ook bij de heffing van IB/PVV over de dividenduitkeringen tot een gunstiger uitkomst dan de door de Inspecteur ter zake van de aanslag voor het jaar 2007 aangebrachte correctie. De belasting zou immers later en gespreid over meerdere jaren worden betaald, wat een rente- en liquiditeitsvoordeel oplevert, en de boete zou geheel komen te vervallen.

 

5.5.

Het Hof komt dan ook tot de conclusie dat partijen over en weer redelijkerwijs aan het bepaalde in onderdeel 4B van de vaststellingsovereenkomst geen verdergaande betekenis mochten toekennen dan dat zij daarin zijn overeengekomen tot welke bedragen belanghebbende de overeenkomstig onderdeel 4A door de BV gedane dividenduitkeringen zou gebruiken om rente en aflossing te betalen op de rekening-courantschuld aan de BV. Het stond de Inspecteur dan ook vrij de dividenduitkeringen als inkomen uit aanmerkelijk belang te betrekken in de heffing van IB/PVV. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.

 

Proceskosten en griffierecht

 

6. Het Hof ziet geen reden voor een veroordeling in de proceskosten.

 

Beslissing

Het Gerechtshof:

-       vernietigt de uitspraak van de Rechtbank; en

-       bevestigt de uitspraak op bezwaar.

 

Deze uitspraak is vastgesteld door F.G.F. Peters, Chr.Th.P.M. Zandhuis en I. Obbink-Reijngoud, in tegenwoordigheid van de griffier N. El Allaoui. De beslissing is op 25 maart 2020 in het openbaar uitgesproken.