Home » Ambtelijk verzuim verhindert navordering maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling

Ambtelijk verzuim verhindert navordering maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstelling

Publicatiedatum

14/05/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer SBI code

 

ECLINLRBDHA20204095, SGR 19/1450

 

Vermogensbestanddelen van natuurlijke personen, die niet behoren tot het vermogen van een onderneming, vallen in beginsel in box 3 van de inkomstenbelasting. Er gelden uitzonderingen voor vermogensbestanddelen die ter beschikking worden gesteld aan een rechtspersoon, waarin de natuurlijke persoon of een met hem verbonden persoon een aanmerkelijk belang heeft, of aan een onderneming van een verbonden persoon. Verbonden personen zijn de partner en minderjarige kinderen van de persoon zelf en van zijn partner. Daarnaast geldt een uitzondering voor maatschappelijk ongebruikelijke terbeschikkingstellingen van vermogensbestanddelen aan meerderjarige familieleden in de rechte lijn, dus aan ouders of kinderen. Dergelijke vermogensbestanddelen vallen in box 1. De opbrengsten van de terbeschikkingstelling, inclusief de winst bij verkoop of aan het einde van de terbeschikkingstelling, zijn progressief belast. 

In 2007 kochten drie kinderen landbouwgrond van hun ouders voor € 633.000. De ouders bedongen bij de verkoop het pachtrecht ten behoeve van hun landbouwbedrijf. De pachtovereenkomst kende als einddatum 31 oktober 2019. De jaarlijkse pachtprijs bedroeg € 25.000. De ouders hadden een groot deel van de grond kort daarvoor vrij van pacht gekocht voor € 1.141.500. De kinderen bleven de koopprijs schuldig. Een deel van de koopsom is verrekend met een vordering die de kinderen hadden op hun ouders. In 2009 heeft overleg plaatsgevonden tussen de Belastingdienst en de ouders over aan- en verkoop van de grond. Tijdens dat overleg is het zakelijke karakter van de transactie ter discussie gesteld. Volgens de Belastingdienst was de verkoop aan de kinderen bedoeld om de kinderen te bevoordelen. Uiteindelijk werd een compromis bereikt over de waarde in verpachte staat van de grond en over de hoogte van de te activeren pachtrechten. In 2014 is de pacht voor een deel van de grond op verzoek van de ouders beëindigd. In 2016 is het landbouwbedrijf van de ouders gestaakt en hebben zij afstand gedaan van hun resterende pachtrecht.

Naar aanleiding van de staking van het landbouwbedrijf stelde de Belastingdienst een onderzoek in naar de juistheid van de aangifte van de kinderen op het punt van de kwalificatie van de verpachte grond. De grond was in de aangifte van de kinderen verwerkt in box 3. Volgens de Belastingdienst had de grond in box 1 moeten worden aangegeven omdat sprake was van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Op basis van dat standpunt legde de Belastingdienst een navorderingsaanslag op over 2014 waarin het voordeel van het beëindigen van de reguliere pacht door de ouders werd belast in box 1.

De rechtbank was van oordeel dat de Belastingdienst de gegevens, die bij het onderzoek naar de grondtransactie in 2009 naar voren waren gekomen, had moeten opnemen in de IB-dossiers van de kinderen. Omdat de grondtransactie en het familieverband bij dat onderzoek uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest, had het belang van de grondtransactie voor de heffing van IB van de kinderen duidelijk moeten zijn. In een brief aan de ouders uit 2009 heeft de Belastingdienst zich al op het standpunt gesteld dat het een maatschappelijk ongebruikelijke transactie betrof. Op basis van de gegevens over de grondtransactie had de Belastingdienst moeten onderzoeken waarom in de aangifte over 2014 van de kinderen geen terbeschikkingstellingsresultaat was opgenomen. Door de gegevens van het onderzoek naar de grondtransactie niet in het dossier van de kinderen op te nemen en de aangifte niet aan een nader onderzoek te onderwerpen, heeft de Belastingdienst een ambtelijk verzuim begaan, waardoor navordering niet is toegestaan.

 

 

ECLINLRBDHA20204095

 

Instantie Rechtbank Den Haag

 

Datum uitspraak 22-04-2020

 

Datum publicatie 08-05-2020

 

Zaaknummer SGR 19/1450

 

Rechtsgebieden Belastingrecht

 

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

 

Inhoudsindicatie Inkomstenbelasting, ongebruikelijke terbeschikkingstelling, navordering.

 

Verweerder beschikt voor 2014 niet over een navordering rechtvaardigend nieuw feit; verweerder had in het verleden bij het onderzoek naar de grondtransactie tussen eiseres en haar moeder, gegevens over de grondtransactie moeten opnemen in de IB-dossiers van eiseres. Door ten tijde van het onderzoek naar de grondtransactie (2007-2009) geen gegevens in het dossier van eiseres op te nemen en haar aangifte voor 2014 niet aan een nader onderzoek te onderwerpen, is sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. (Beroep gegrond.)

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/1450

 

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2020 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

 

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 februari 2019 de navorderingsaanslag IB/PVV alsmede de belastingrentebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A] en [B] . Ter zitting zijn mede de zaken van de broer en zus van eiseres met nummers SGR 19/2361, 19/2363, 19/2366 en 19/2368 behandeld. Alles wat in de ene zaak is aangevoerd geldt ook voor andere zaken. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [C] , [D] en [E] .

Ter zitting is het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheid voor een compromis te onderzoeken. Partijen hebben de rechtbank bij brieven van 5 februari 2020 en 7 februari 2020 laten weten dat geen compromis is bereikt en de rechtbank verzocht uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Op 6 juli 2007 is eiseres samen met haar broer en zus (de kinderen) krachtens een akte van levering voor gelijke delen eigenaar geworden van 58.71.15 ha cultuurgrond met opstallen, gelegen in onder meer [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] en [plaats 4] (de grondtransactie). De verkopers waren de ouders van eiseres. De verkoopprijs bedroeg € 632.783,25. Het onroerend goed is geleverd onder voorbehoud van een regulier pachtrecht ten behoeve van de verkopers, voor (voortzetting van het) gebruik door de moeder in haar landbouwbedrijf. Blijkens de pachtovereenkomst is de pacht aangegaan voor een periode “van twaalf jaar en bijna vier maanden, ingegaan op 6 juli 2007 en eindigend op 31 oktober 2019”. De overeengekomen pachtprijs bedroeg € 25.000 per jaar.

2. Een van de verkopers, de moeder van eiseres (de moeder), heeft een groot deel van het in juli 2007 overgedragen onroerend goed, zijnde 39.19.15 ha gelegen te [plaats 4] , zelf krachtens akte van levering verkregen op 6 februari 2007 vrij van pacht, voor een koopsom van € 1.141.500.

3. De door eiseres voor haar aandeel (1/3e) verschuldigde koopprijs (inclusief ‘kosten koper’) bedroeg € 214.802,72. Deze koopprijs is bepaald aan de hand van het door [F] ( [F] Makelaardij Rentmeesterkantoor) opgemaakte taxatierapport van 19 juni 2007. Daarin is de waarde in vrije staat van het totale onroerend goed bepaald op € 1.601.600 en de “waarde verpachte of verhuurde staat” op € 632.700.

4. De koopsom in verband met de verkrijging van het onroerend goed door eiseres en haar broer en zus in 2007 is door de kinderen aan de ouders schuldig gebleven. Er is een schriftelijke leningsovereenkomst opgemaakt. Een deel van de koopsom is vervolgens verrekend met een vordering ter grootte van € 544.068 die de kinderen nog hadden op hun ouders. Over het restant is in de periode 2007 tot en met 2010 jaarlijks 4% rente bijgeschreven op de hoofdsom. In 2010 is het restant van de lening, zijnde een bedrag van € 103.293, ofwel € 34.431 per kind, volledig afgelost.

5. In haar aangifte IB/PVV over 2007 heeft eiseres het van haar ouders verworven onroerend goed aangegeven als bezittingen bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3-vermogen). De aanslag IB/PVV 2007 is met dagtekening 19 maart 2009 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.

6. In juli 2007 heeft de notaris de akte van levering van het onroerend goed naar de Belastingdienst gestuurd. Op 14 juli 2008 heeft de vader van eiseres op verzoek van de Belastingdienst een kopie van de door de Grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst en het hiervoor onder 3 genoemde taxatierapport toegestuurd aan de Belastingdienst Zuid-West. In 2009 heeft uitvoerig overleg plaatsgehad tussen de Belastingdienst (inspecteurs van de afdelingen Schenking en Successie en van inkomstenbelasting) en de ouders van eiseres omtrent de eerdere aankoop van de boerderij en de daaropvolgende verkoop van de boerderij samen met de al aanwezige landbouwgrond aan de kinderen. Hierbij is (onder meer) in een brief van 16 juli 2009 door [G] en [H] RT, taxateurs namens de Belastingdienst, het zakelijke karakter van de transactie ter discussie gesteld:

“(…) Wij zetten vraagtekens bij het zakelijke karakter van deze verkoop. Wij zijn van mening dat geen enkele zakelijk handelende partij enkele maanden na aankoop in vrij opleverbare staat van de boerderij […] deze doorverkoopt aan een derde met een direct verlies van € 714.150,-. Wij hebben de indruk dat deze verkoop plaatsvindt met de intentie de kinderen financieel te bevoordelen.

Wij [zijn] van mening dat als waardegrondslag bij verkoop de waarde in vrij opleverbare staat van toepassing is. (..)”

7. In een brief van 7 oktober 2009 schrijven voornoemde medewerkers van de Belastingdienst:

“(…) Wij zien geen enkel zakelijk argument wat een dergelijk vermogensverlies, als gevolg van deze handeling, rechtvaardigt. Het is o.i. ondenkbaar dat u deze onroerende zaken op dezelfde wijze, gezien het vermogensverlies, aan een willekeurige derde had verkocht. Wij zijn dan ook van mening dat de familieverhoudingen en persoonlijke overwegingen een overheersende rol hebben gespeeld. Verder speelt de leeftijd van u als pachters een rol. De pacht valt namelijk onder de “oude” Pachtwet, welke verpachters de mogelijkheid biedt de pacht op basis van leeftijd op te zeggen. Ook dit is een argument om te stellen dat u een dergelijke constructie niet had gekozen bij verkoop aan willekeurige derden. In de jurisprudentie (o.a. van de Hoge Raad) zijn verschillende voorbeelden te noemen waarbij dergelijke verkopen op hun zakelijkheid zijn getoetst. Hierbij is het standpunt ingenomen dat dergelijke verkopen als onzakelijk kunnen worden gekenmerkt.

Op basis hiervan handhaven wij ons eerder ingenomen standpunt. (…)”

8. Uiteindelijk is op 19 november 2009 een compromis bereikt over de waarde van het aan de kinderen verkochte onroerend goed in verpachte staat en de hoogte van de voor de inkomstenbelasting te activeren pachtrechten door de moeder in haar onderneming en de afschrijvingstermijn. Daarnaast is vastgesteld dat uit hoofde van de verkoop door de ouders aan de kinderen geen sprake was van een schenking.

9. Per 2 februari 2014 is met betrekking tot een deel van de grond, namelijk 42.67.79 ha, de reguliere pacht op verzoek van de moeder beëindigd. Na beëindiging van de pacht met de ouders zijn deze onroerende zaken liberaal verpacht aan een derde.

10. Eiseres heeft voor 2014 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.005 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.334. Net als in voorgaande jaren heeft eiseres hierbij het verpachte onroerend goed aangegeven als box 3-vermogen, tegen een waarde van € 280.054. De aanslag IB/PVV 2014 is met dagtekening 5 april 2016 overeenkomstig de ingediende aangifte vastgesteld.

11. In 2016 is het landbouwbedrijf van de moeder volledig gestaakt. Ook voor de overige 16 hectaren hebben de ouders van eiseres afstand gedaan van hun reguliere pachtrecht. Een groot deel van de grond is vervolgens aan verschillende partijen liberaal

verpacht.

12. Eind 2016 is een onderzoek ingesteld naar de aangifte van de moeder, in verband met de staking van haar landbouwbedrijf. Daarbij heeft verweerder geconstateerd dat de pachters in 2014 afstand hebben gedaan van (een groot deel van) hun pachtrechten, met voor de kinderen een aangroei van de waarde verpachte staat van de grond naar de vrije waarde tot gevolg. Naar aanleiding hiervan is begin 2017 een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de aangifte van eiseres, in het bijzonder naar de kwalificatie van de verpachte grond.

13. Naar aanleiding van het onderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het verpachte onroerend goed niet kwalificeert als box 3-vermogen maar dat sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling. Deze is volgens verweerder aangevangen in 2007 en voor een aanmerkelijk deel geëindigd in 2014, namelijk met het beëindigen van de reguliere pacht door de ouders met betrekking tot een groot deel van de grond (zie hiervoor onder 9.) Als gevolg daarvan heeft verweerder de onderwerpelijke navorderingsaanslag IB/PVV 2014 opgelegd.

14. De navorderingsaanslag IB/PVV 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 839.721 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.334, waarbij € 47.079 aan belastingrente in rekening is gebracht.

15. Verweerder heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning als volgt gecorrigeerd:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 51.005

Bij: correctie resultaat uit overige werkzaamheden (ROW) € 788.716

Gecorrigeerd belastbaar inkomen uit werk en woning € 839.721

16. De correctie ROW heeft verweerder daarbij als volgt berekend:

Totaal verpachte waarde cultuurgrond bij aankoop 58.71.15 ha

(conform het taxatierapport onder 3) € 594.783

Aankoopwaarde (verpacht) per hectare: € 10.158

Vrije waarde in 2014 per hectare: € 65.600

Resultaat door pachtontbinding in 2014 voor in totaal 42.67.79 ha. € 788.716

(42.67.79 ha x (€ 65.600 -/- € 10.158) = € 2.366.148 x 1/3e (aandeel eiseres) = € 788.716)

Geschil

17. In geschil is of:

-         sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt;

-         met betrekking tot de door eiseres aan haar ouders regulier verpachte grond sprake is van een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, derde lid, van de Wet IB 2001 en zo ja, of het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden door verweerder juist is berekend;

-         verweerder bij het vaststellen van de bestreden navorderingsaanslagen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel.

Niet meer in geschil is dat zowel het inkomen uit werk en woning als het inkomen uit sparen en beleggen te hoog zijn vastgesteld en dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2014 in zoverre dient te worden verminderd.

18. Eiseres beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend en de derde bevestigend en concludeert tot vernietiging dan wel vermindering van de navorderingsaanslagen alsmede tot toekenning van een vergoeding wegens termijnoverschrijding en een integrale proceskostenvergoeding.

19. Verweerder beantwoordt de eerste twee vragen bevestigend en de derde ontkennend. Wel concludeert verweerder tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2014, omdat de grondslagen daarvan te hoog zijn vastgesteld. Voorts concludeert verweerder tot toekenning van de forfaitaire proceskostenvergoeding.

Beoordeling van het geschil

20. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting navorderen. In dat kader moet worden beoordeeld of de navorderingsaanslag voortvloeit uit feiten die bij het opleggen van de definitieve aanslag al bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat verweerder bij het vaststellen van een aanslag IB/PVV mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen (zie onder meer Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082). Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

21. Omtrent de bij de aangifte te raadplegen gegevens heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 17 februari 2017, nr. 16/01006, ECLI:NL:HR:2017:249, geoordeeld:

“2.3. Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag IB/PVV in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens bevat met betrekking tot de heffing van de IB/PVV van de desbetreffende belastingplichtige. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang zijn. De inspecteur is slechts dan tot een onderzoek buiten het eerstbedoelde (digitale) dossier gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven (vgl. HR 6 juni 2001, nr. 36306, ECLI:NL:HR:2001:AB2890, BNB 2001/397, en HR 12 juni 2015, nr. 14/04015, ECLI:NL:HR:2015:1515, BNB 2015/166).”

22. Volgens eiseres waren alle feiten van de grondtransactie in 2007 bij verweerder bekend en had hij eerder het standpunt kunnen en moeten innemen dat die transactie leidde tot een ongebruikelijke terbeschikkingstelling (ots) bij eiseres. Verweerder beroept zich op voornoemd arrest en heeft aangevoerd dat destijds bij de beoordeling van de grondtransactie enkel de aangiften van de ouders zijn onderzocht. De grondtransactie is niet beoordeeld op de gevolgen voor de inkomstenbelasting van de kinderen en de gegevens van de grondtransactie zijn niet opgenomen in de individuele IB-dossiers van de kinderen. Dat had ook niet gehoeven volgens verweerder. Pas na het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2014 aan eiseres is verweerder gebleken dat de moeder in 2014 afstand had gedaan van een groot deel van haar pachtrechten. Dit betekende voor de kinderen een aangroei van de waarde verpachte staat van de grond naar de vrije waarde. Nader onderzoek naar de aangiften IB/PVV 2014 van de kinderen wees uit dat de waardestijging van de grond belast is onder de terbeschikkingstellingsregeling, wat een nieuw feit voor navordering oplevert, aldus verweerder.

23. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder destijds, bij het onderzoek naar de grondtransactie, gegevens over de grondtransactie moeten opnemen in de IB-dossiers van de kinderen. Omdat de grondtransactie en het familieverband in 2009 uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest, had het verweerder duidelijk moeten zijn dat de grondtransactie van belang was voor de heffing van IB van de kinderen. In de onder 7 geciteerde brief van 7 oktober 2009 aan de ouders stelde de Belastingdienst zich immers in wezen al op het standpunt dat sprake was van een maatschappelijk ongebruikelijke transactie. Als de gegevens over de grondtransactie in het dossier van eiseres waren opgenomen, was verweerder bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2014 van eiseres gehouden de aangifte nader te onderzoeken aangezien daarin geen terbeschikkingstellingsresultaat was opgenomen. Verweerder had, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte en in het licht van het bepaalde in artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001, in redelijkheid behoren te twijfelen aan de juistheid van het niet verantwoorden in de aangifte van een terbeschikkingstellingsresultaat. Door ten tijde van het onderzoek naar de grondtransactie geen gegevens in het dossier van eiseres op te nemen en haar aangifte niet aan een nader onderzoek te onderwerpen, is sprake van een ambtelijk verzuim dat aan navordering in de weg staat. De feiten rond de grondtransactie op basis waarvan verweerder stelt dat sprake is van een ongebruikelijke terbeschikkingstelling, hadden hem bij het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2014 al bekend kunnen en moeten zijn. Hierdoor vervalt de bevoegdheid tot navorderen en dienen de navorderingsaanslagen te worden vernietigd. De stelling van verweerder dat er, voordat hem bekend werd dat de pacht in 2014 grotendeels was beëindigd, geen heffingsbelang was, maakt het voorgaande niet anders. Of er al dan niet een heffingsbelang was, had verweerder bij een nader onderzoek van de aangifte kunnen en moeten vaststellen.

24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige stellingen van eiseres behoeven daarom geen behandeling meer.

25. Voor een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding. Deze termijn bedraagt twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen en is aangevangen met het indienen van het bezwaar op 13 april 2018 (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, (ECLI:NL:HR:2016:252)). In de omstandigheid dat partijen ermee hebben ingestemd om na de mondelinge behandeling van de beroepen ter zitting nader in overleg met elkaar te treden om de mogelijkheid van een compromis te onderzoeken, ziet de rechtbank aanleiding de redelijke termijn voor de beroepsfase te verlengen. De rechtbank zal de periode die partijen hiervoor nodig hebben gehad (vanaf de mondelinge behandeling op 28 november 2019 tot en met de brieven van partijen van 5 en 7 februari 2020, zijnde tien weken) optellen bij de termijn van twee jaar en komt dan tot de conclusie dat de rechtbank binnen die termijn van twee jaar en tien weken uitspraak heeft gedaan.

Proceskosten

26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Ten aanzien van onderhavige zaak en de gelijktijdig ter zitting behandelde zaken met zaaknummers SGR 19/2361, 19/2363, 19/2366 en 19/2368 is sprake van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Op grond van bijlage C2 bij het Besluit is de wegingsfactor bij vier of meer samenhangende zaken 1,5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.968,75 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1,5). Gelet op bovengenoemde samenhang zal de rechtbank deze proceskosten verdelen over eisers en in de onderhavige zaak een proceskostenvergoeding toekennen van € 656,25.

Voor een integrale kostenvergoeding zoals door eiseres gevraagd bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

-         verklaart het beroep gegrond;

-         vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-         vernietigt de navorderingsaanslag;

-         veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 656,25;

-         draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2020 door mr. A.D. van Riel, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. S.E. Postema, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.