Home » Bezwaar belastingheffing box 3 2019 aangewezen als massaal bezwaar

Aanbiedingsplicht bij verkoop woning geen reden voor verlaging eigenwoningforfait

Publicatiedatum

16/04/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer BIK code

ECLINLGHSHE2020500, 19/00271

Een eigen woning is de onroerende zaak die de eigenaar anders dan tijdelijk ter beschikking staat als hoofdverblijf. De belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de aftrekbare kosten. De voordelen uit eigen woning bestaan uit het zogenaamde eigenwoningforfait. Dat is een percentage van de WOZ-waarde van de woning.

 

In een procedure voor Hof Den Bosch was de vraag aan de orde of de belanghebbende recht had op vermindering van het eigenwoningforfait. De belanghebbende baseerde zijn aanspraak op vermindering op de aanbiedingsplicht die hij bij de aankoop van de woning had geaccepteerd. Op grond van deze aanbiedingsplicht had de oorspronkelijke verkoper het recht de woning te kopen voor 50% van de waarde in het economisch verkeer. De belanghebbende had de woning met eenzelfde korting gekocht.

 

De eigenwoningregeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat een belastingplichtige op zijn eigen woning een rendement in natura ontvangt in de vorm van woongenot. De omvang van het woongenot wordt niet verminderd door een beperking van de vervreemdingsbevoegdheid, zoals de aanbiedingsplicht. Het hof zag geen aanleiding om het eigenwoningforfait voor de belanghebbende te matigen.

 

 Tekst

 

ECLINLGHSHE2020500

 

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch

 

Datum uitspraak 13-02-2020

 

Datum publicatie 09-04-2020

 

Zaaknummer 19/00271

 

Rechtsgebieden Belastingrecht

 

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

 

Inhoudsindicatie Artikel 3.112 Wet IB 2001, eigenwoningforfait

 

De eigenwoningregeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat een belastingplichtige ter zake van zijn eigen woning een rendement in natura geniet in de vorm van woongenot. Het hof is van oordeel dat de omvang van het woongenot van belanghebbende door de beperking van de vervreemdingsbevoegdheid niet beperkt wordt. De inspecteur heeft dan ook terecht 100% van het eigenwoningforfait in aanmerking genomen. Het hof ziet geen reden voor een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof vloeide de noodzaak om hoger beroep in te stellen geheel voort uit het handelen van de belanghebbende.

 

Wetsverwijzingen Wet inkomstenbelasting 2001 3.112

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Team belastingrecht

 

Meervoudige Belastingkamer

 

Kenmerk: 19/00271

 

Uitspraak op het hoger beroep van belanghebbende, wonende te woonplaats, hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de rechtbank) van 4 april 2019, nummer BRE 18/153, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, betreffende de hierna te vermelden aanslag en beschikking.

 

1

Ontstaan en loop van het geding

 

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.434, alsmede bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 39. Na daartegen gemaakt bezwaar is bij uitspraak van de inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.906 en de beschikking belastingrente verminderd tot € 33.

 

1.2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.606, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 512 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 aan hem vergoedt.

 

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 128. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

 

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 10 januari 2020 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , en namens de inspecteur, [inspecteur] .

 

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

 

2

 

Feiten

 

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het hof komen vast te staan.

 

2.1.

Belanghebbende was het gehele jaar 2015 gehuwd. Belanghebbende woonde in 2015 aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).

 

2.2.

Belanghebbende is enig eigenaar van de woning. Hij heeft de woning in 2009 gekocht van Stichting [A] (hierna: [A] ) voor een bedrag van € 78.250. In de akte van levering is bepaald dat aan belanghebbende als koper de voorwaarden en bepalingen zoals opgenomen in de akte ‘ [A-bepalingen] ’ (hierna: de [A-bepalingen] ) worden opgelegd. Deze bepalingen houden onder meer in dat de koper bij aankoop van de woning een korting krijgt op de marktwaarde. Daar staat tegenover dat de koper verplicht is om de woning te onderhouden en bij een voorgenomen verkoop de woning aan te bieden aan [A] (de aanbiedingsplicht). De prijs bij terugkoop wordt mede bepaald aan de hand van een korting op de marktwaarde op dat moment. In het geval van belanghebbende is de korting bij aankoop en bij eventuele aanbieding bepaald op 50% van de marktwaarde.

 

3

 

Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

 

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de inspecteur terecht 100% van het eigenwoningforfait (€ 997) bij belanghebbende in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. De inspecteur heeft op 1 juni 2019 de aanslag ambtshalve verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.707, waarbij een bedrag aan persoonsgebonden aftrek van € 2.727 in aanmerking is genomen Ter zitting hebben partijen bevestigd dat daardoor de door belanghebbende in aanmerking te nemen zorgkosten niet langer in geschil zijn.

 

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt en op hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd.

 

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.208. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en handhaving van de aanslag zoals deze na ambtshalve vermindering is vastgesteld.

 

4

 

Gronden

 

Vooraf

 

4.1.

Het hof constateert dat de inspecteur in hoger beroep de aanslag heeft verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.707 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig heeft verminderd. Omdat in de uitspraak van de rechtbank de aanslag en de beschikking belastingrente waren vastgesteld op een hoger bedrag, dient het hoger beroep reeds om die reden gegrond te worden verklaard en komt de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking.

 

Ten aanzien van het geschil

 

4.2.

Artikel 3.110 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) luidt als volgt:

 

“Belastbare inkomsten uit eigen woning zijn de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten (artikel 3.120).”

 

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning op grond van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 in 2015 kwalificeert als eigen woning. Belanghebbende had in 2015 de volledige juridische eigendom van de woning en de waardeverandering van de woning ging hem grotendeels, dat wil zeggen voor tenminste 50%, aan. Op grond van artikel 3.110 van de Wet IB 2001 zijn daarom in beginsel de voordelen uit eigen woning (het zogenaamde eigenwoningforfait) bij belanghebbende belast.

 

4.4.

Het eigenwoningforfait wordt in dit geval op grond van artikel 3.112, tweede lid van de Wet IB 2001 bepaald aan de hand van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). Gelet op deze WOZ-waarde van € 133.000 staat vast dat de totale voordelen uit de woning in 2015 moeten worden vastgesteld op € 997.

 

4.5.

Belanghebbende stelt dat in dit geval niet 100%, maar slechts 50% van het eigenwoningforfait aan hem moet worden toegerekend. Daartoe voert hij aan dat hij als gevolg van de bepalingen waaronder de aankoop is aangegaan, met name de aanbiedingsplicht, slechts 50% van het economisch belang bij de woning heeft. Hij wijst er daarbij op dat artikel 3.112 van de Wet IB 2001 niet verwijst naar hoofdstuk III van de Wet WOZ waarin is opgenomen dat de WOZ-waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom kan worden overgedragen (artikel 17, tweede lid van de Wet WOZ). Daarom dient bij het bepalen van de waarde van de eigen woning voor de berekening van het eigenwoningforfait rekening te worden gehouden met de invloed van de aanbiedingsplicht op het belang van belanghebbende bij de waardeontwikkeling van de woning.

 

4.6.

Het hof overweegt dat van oudsher wegens het eigen gebruik van een woning voor de heffing van inkomstenbelasting de economische huurwaarde van die woning als inkomsten in natura tot de belastbare inkomsten uit vermogen worden gerekend (zie Hoge Raad 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0834). De eigenwoningregeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat een belastingplichtige ter zake van zijn eigen woning een rendement in natura geniet in de vorm van woongenot (zie onder meer Kamerstukken II 1973-1974, 12 601, nr. 6, p. 11). Het hof is van oordeel dat de omvang van het woongenot van belanghebbende door de beperking van de vervreemdingsbevoegdheid, zoals de aanbiedingsplicht opgenomen in de [A-bepalingen] , niet beperkt wordt (vgl. Hoge Raad 25 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2572). Ook de overige [A-bepalingen] leiden niet tot een beperking van het woongenot. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het eigenwoningforfait op grond van de met [A] overeengekomen bepalingen te matigen. Aangezien ook niet is gesteld of gebleken dat het woongenot van belanghebbende anderszins is beperkt, dient het volledige eigenwoningforfait bij belanghebbende in aanmerking te worden genomen. De inspecteur heeft dan ook terecht 100% van het eigenwoningforfait in aanmerking genomen.

 

Slotsom

 

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is gelet op hetgeen is overwogen onder 4.1. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, met uitzondering van de beslissing omtrent het griffierecht en de proceskosten (zie 4.9). Het hof zal het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de inspecteur vernietigen en de aanslag en de beschikking belastingrente, zoals ambtshalve vastgesteld op 1 juni 2019, handhaven.

 

Ten aanzien van het griffierecht

 

4.8.

Aangezien de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, dient de inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 128 te vergoeden.

 

Ten aanzien van de proceskosten

 

4.9.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, geldt als regel dat de door hem in hoger beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Algemene Wet Bestuursrecht in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van (hoger) beroep uitsluitend voortvloeide uit het handelen van de belanghebbende zelf (Hoge Raad, 5 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5556). Het hoger beroep is gegrond omdat de inspecteur na het ontvangen van de correcte dieetverklaring aanleiding heeft gezien alsnog de door belanghebbende geclaimde dieetkosten te aanvaarden. De dieetkosten zijn echter al aan de orde geweest bij het opleggen van de aanslag en in bezwaar. Daarbij blijkt uit de correspondentie tussen belanghebbende en de inspecteur dat belanghebbende door de inspecteur erop is gewezen dat dieetkosten alleen voor aftrek in aanmerking komen indien belanghebbende een correcte dieetverklaring kan overleggen. Belanghebbende heeft deze verklaring pas na de zitting bij de rechtbank overgelegd hoewel hij al eerder hierop was gewezen en gesteld noch gebleken is dat hij de correcte verklaring niet eerder had kunnen overleggen. Naar het oordeel van het hof vloeide de noodzaak om hoger beroep in te stellen ten aanzien van de dieetkosten dan ook geheel voort uit het handelen van de belanghebbende. Het feit dat op het moment van het instellen van het hoger beroep, de ambtshalve vermindering belanghebbende nog niet had bereikt doet hieraan niet af. Het hof ziet dan ook geen reden voor een proceskostenvergoeding in hoger beroep. Ook ziet het hof geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase aangezien belanghebbende in de bezwaarfase niet heeft verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank heeft dan ook terecht alleen een proceskostenvergoeding voor het beroep toegekend.

 

5

 

Beslissing

 

Het Hof:

 

                -
verklaart het hoger beroep gegrond,

 

                -
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskostenvergoeding,

 

                -
verklaart het tegen de uitspraak van de inspecteur ingestelde beroep gegrond,

 

                -
vernietigt de uitspraak van de inspecteur,

 

                -
handhaaft de aanslag en de beschikking belastingrente zoals deze luiden na de ambtshalve vermindering van de Inspecteur van 1 juni 2019,

 

                -
gelast dat de inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 128 vergoedt.

 

Aldus gedaan op 13 februari 2020 door J.H. Bogert, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.