Home » Geen aftrek voorbelasting verhuurde kantoorruimte

Geen aftrek voorbelasting verhuurde kantoorruimte

Publicatiedatum

09/04/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer BIK code

ECLINLRBDHA20202647, SGR 19/2236

De verhuur en verpachting van onroerende zaken is in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. Er geldt een uitzondering op de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken, die door de huurder worden gebruikt voor doeleinden waarvoor een (nagenoeg) volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. De verhuurder en de huurder moeten in de schriftelijke huurovereenkomst hebben gekozen voor belaste verhuur of gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben gedaan.

 

Een huurovereenkomst betreffende een kantoorruimte bepaalde dat de verhuur met omzetbelasting was belast. De huurder verklaarde dat hij de kantoorruimte zou gebruiken voor doeleinden waarvoor hij recht had op aftrek van voorbelasting. Met de huurovereenkomst is een begin van bewijs geleverd dat voldaan is aan de voorwaarden die de wet stelt aan de uitzondering op vrijgestelde verhuur. De Belastingdienst bestreed de juistheid van de verklaring van de huurder aan de hand van omzetgegevens. Daaruit bleek dat de huurder ook vrijgestelde prestaties verrichtte. De verhuurder was tevens enig aandeelhouder en bestuurder van de huurder. Volgens zijn verklaring vonden in de kantoorruimte alleen de belaste diensten van de huurder plaats en werden de vrijgestelde werkzaamheden verricht in de werkkamer in zijn woning. De rechtbank vond daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de kantoorruimte uitsluitend voor belaste prestaties is gebruikt. De verhuurder had geen bescheiden overgelegd waaruit dit bleek. Ook ontbraken bescheiden waaruit zou blijken dat de vrijgestelde werkzaamheden elders werden verricht of werden uitbesteed.

 

Naar het oordeel van de rechtbank was de uitzondering op de vrijstelling voor verhuur niet van toepassing. Dat had tot gevolg dat de verhuurder geen recht had op aftrek van voorbelasting die drukte op de bouw van de kantoorruimte. Het verzoek om teruggaaf van deze omzetbelasting is door de Belastingdienst terecht afgewezen.

 

BRONDOCUMENT

 

ECLINLRBDHA20202647

 

Instantie Rechtbank Den Haag

 

Datum uitspraak 12-03-2020

 

Datum publicatie 01-04-2020

 

Zaaknummer 19_2236

 

Rechtsgebieden Belastingrecht

 

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

 

Inhoudsindicatie Eiser maakt niet aannemelijk dat door hem verhuurde kantoorruimte nagenoeg uitsluitend is gebruikt voor belaste prestaties. Naar het oordeel van de rechtbank is teruggaaf van omzetbelasting die ter zake van de bouw van de kantoorruimte in rekening is gebracht terecht geweigerd. Beroep ongegrond.

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

Rechtbank DEN HAAG

 

Team belastingrecht

 

zaaknummer: SGR 19/2236

 

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 maart 2020 in de zaak tussen Samenwerkingsverband [eiser 1] en [eiser 2], te [woonplaats], eiser, (gemachtigde: mr. H. Verbeek), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

 

Procesverloop

 

Verweerder heeft aan eiser voor het tijdvak 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 een afwijzende beschikking op het verzoek om teruggaaf omzetbelasting (de beschikking) gegeven.

 

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 februari 2019 de beschikking gehandhaafd.

 

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

 

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020.

Namens eiser zijn verschenen [eiser 1] en [A] , kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen [B] , [C] en [D] .

 

Overwegingen

 

Feiten

1. [eiser 1] ( [eiser 1] ) en zijn echtgenote [eiser 2] ( [eiser 2] ) vormen een samenwerkingsverband (eiser). Eiser houdt zich bezig met de verhuur van vastgoed en is aldus ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

 

2. [eiser 1] houdt 100% van de aandelen in [B.V. ] ( [B.V. ] ). [B.V. ] heeft, onder meer, een deelneming in de vennootschap [B.V. 1] . ( [B.V. 1] ). [eiser 1] en [eiser 2] zijn beiden werknemer en bestuurder van [B.V. ] .

 

3. In 2009 heeft eiser opdracht gegeven voor de bouw van een bijgebouw bij de woning van [eiser 1] en [eiser 2] . Het gebouw bestaat voor 80% uit kantoorruimte (de kantoorruimte) en voor 20% uit een garage. De totale bouwkosten bedragen € 442.294,36.

 

4. Op 29 april 2011 heeft [B.V. ] een consultancy-overeenkomst gesloten met [B.V. 2] . ( [B.V. 2] ). In deze overeenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen, waarbij [B.V. 2] als “Opdrachtgever” en [B.V. ] als “Opdrachtnemer” zijn aangeduid:

 

In aanmerking nemende dat:

• De Opdrachtnemer aandelen [ [B.V. 1] ] houdt;

 

(…)

 

Artikel 1 De Opdracht

1 Met ingang van 21 maart 2011 is Opdrachtnemer belast met het management van het Business Development & Strategic Marketing van Opdrachtgever.

 

(…)

 

3 De Opdrachtnemer zal hiertoe haar directeur, [ [eiser 1] ], ter beschikking stellen van de Opdrachtgever. De Opdrachtnemer verbindt zich de volledige kennis en ervaring en 32 uur arbeidstijd per week van deze natuurlijke persoon aan Opdrachtgever ter beschikking te stellen voor de vervulling van de managementfunctie.

 

(…)

 

Artikel 2 Vergoeding

1 De Opdrachtnemer ontvangt van [ [B.V. 2] ] ter zake van de door hem verrichte werkzaamheden een managementvergoeding van € 54.000 per jaar exclusief omzetbelasting.

 

(…)

 

Artikel 4 Duur, beëindiging

1 Deze overeenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd en eindigt van rechtswege zonder dat opzegging vereist is op 31 december 2011. Desgewenst door partijen kan deze overeenkomst worden verlengd met 12 maanden.(…).”

De overeenkomst tussen [B.V. ] en [B.V. 2] is verlengd tot en met 31 december 2012.

 

5. Met dagtekening 29 februari 2016 heeft eiser aan het kantoor van de gemachtigde het memo “Verduidelijking [ [B.V. ] ] activiteiten periode 2012 – 2016” geschreven. In dit memo staat dat [eiser 1] van 10 maart 2010 tot en met 10 maart 2012 voor [B.V. 2] werkzaamheden heeft verricht als “Director of Business Development & Strategic Marketing” en van april 2011 tot en met november 2015 als “Member of the Board of Directors” van NSure Chile SA (Chile SA).

 

6. De kantoorruimte is vanaf de ingebruikname op 1 november 2012 verhuurd aan [B.V. ] . In de huurovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen, waarbij [eiser 1] en [eiser 2] als “Verhuurder” en [B.V. ] als “Huurder” zijn aangeduid:

 

Artikel 1. Object van verhuur

 

1.1.

Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder 80% van de onroerende zaak, hierna “het Gehuurde” genoemd, gelegen te (…), welke ruimte onderdeel is van het bijgebouw bij de woning van Verhuurder.

 

(…)

 

Artikel 4. Huurprijs

 

(…)

 

4.2.

Partijen zijn een met omzetbelasting belaste verhuur overeengekomen.

 

(…)

 

4.4.

Huurder verklaart door ondertekening van de huurovereenkomst, mede ten behoeve van de rechtsopvolger(s) van Verhuurder, dat hij het Gehuurde blijvend zal gebruiken of blijvend zal laten gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting op de voet van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 bestaat.

 

(…).”

 

7. Verweerder is in 2014 een boekenonderzoek gestart bij [B.V. ] teneinde de aanvaardbaarheid te onderzoeken van, onder meer, de namens deze vennootschap ingediende aangiften omzetbelasting over de tijdvakken van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2013. In het controlerapport dat naar aanleiding van het onderzoek is opgesteld (het controlerapport) is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

 

2.1 Bedrijfsactiviteiten

 

De ondernemingsactiviteit bestaat uit het verlenen van diensten en het beheren van vermogen.

 

(…)

 

4.1

 

Opbrengsten

 

4.1.1

 

Omzet

 

(…)

 

Omzet [N]

 

de omzet 2012 bestaat uit een managementfee. Ingevolge een consultancy overeenkomst verricht [ [B.V. ] ] werkzaamheden voor [N Holding BV]. Daartoe wordt [ [eiser 1] ] aan [N] ter beschikking gesteld. De overeenkomst is aangevangen per 21 maart 2011 en is beëindigd per 31-12-2012.

 

(…)

 

6 Omzetbelasting

 

(…)

 

6.4

 

Prorata correctie voorbelasting

 

[ [B.V. ] ] verricht diverse activiteiten. Deze zijn onder te verdelen in belaste prestaties en vrijgestelde prestaties.

 

(…)

 

De verhouding tussen belaste en vrijgestelde prestaties over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn als volgt:

 

Jaar

 

2013

 

2012

 

2011

 

2010

 

belaste OB – omzet:

 

€ 7.417

 

€ 70.023

 

€ 58.386

 

€ -

 

vrijgestelde omzet:

 

9010 rente lening (…)

 

€ 32.216

 

€ 30.393

 

€ 28.672

 

€ 27.050

 

9020 rente lening (…)

 

€ -

 

€ -

 

€ 1.670

 

€ 1.740

 

9030 rente lening (…)

 

€ 3.441

 

€ 4.976

 

€ 6.042

 

€ 661

 

9035 rente lening (…)

 

€ 6.618

 

€ 12.131

 

€ 5.401

 

€ -

 

9036 rente lening (…)

 

€ 3.217

 

€ 3.098

 

€ 1.489

 

€ -

 

9040 rente lening (…)

 

€ 73.461

 

€ 72.482

 

€ 72.325

 

€ 70.768

 

9150 rente r/c (…)

 

€ 6.323

 

€ 6.798

 

€ 5.772

 

pm

 

totaal vrijgesteld:

 

€ 125.276

 

€ 129.878

 

€ 121.371

 

€ 100.219

 

prorata:

 

Belast:

 

€ 7.417

 

€ 70.023

 

€ 58.386

 

€ -

 

Vrij:

 

€ 125.276

 

€ 129.878

 

€ 121.371

 

€ 100.219

 

Totaal:

 

€ 132.693

 

€ 199.901

 

€ 179.757

 

€ 100.219

 

Percentage belaste omzet

 

5,589594

 

35,028839

 

32,480515

 

0

 

(…)

 

De correctie op de voorbelasting in verband met toepassing prorata bedraagt als volgt:

 

2013

 

2012

 

2011

 

2010

voorbelasting vlgs aangiften:

 

€ 15.672

 

€ 5.740

 

€ 3.544

 

€ 5.499

 

Af: saldo correcties voorbelasting:

 

€ 580

 

€ 1.221

 

€ 525

 

€ 864

 

resterende voorbelasting

 

€ 15.092

 

€ 4.520

 

€ 3.019

 

€ 4.635

 

prorata percentage belast

 

5,6

 

35,1

 

32,5

 

0

 

 

 

 

 

prorata belast deel, aftrekbaar

 

€ 845

 

€ 1.586

 

€ 981

 

€ -

prorata vrijgesteld deel, niet aftrekbaar

 

€ 14.247

 

2.933

 

€ 2.038

 

€ 4.635

 

(…)

 

8 Naheffing/Navordering/Boete

 

8.1

 

Naheffingsaanslag omzetbelasting

 

Over de jaren 2010 tot en met 2013 ben ik van plan een naheffingsaanslag omzetbelasting op[ te ]leggen. Deze is gebaseerd op artikel 20, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.”

 

8. Door [B.V. ] zijn geen rechtsmiddelen aangewend tegen de uit het controlerapport voortvloeiende naheffingsaanslag omzetbelasting.

 

9. [eiser 1] heeft over het tijdvak 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 een aangifte omzetbelasting ingediend naar een terug te ontvangen bedrag van € 64.911. Daarbij heeft hij een bedrag van € 66.108 aan omzetbelasting afgetrokken dat ziet op de bouw van de kantoorruimte (de voorbelasting). Nadat bleek dat de woning en daarmee ook de kantoorruimte gemeenschappelijk eigendom is van [eiser 2] en [eiser 1] , is in onderling overleg afgesproken de aangifte aan te merken als te zijn ingediend door eiser.

 

10. Bij de beschikking heeft verweerder de teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 geweigerd.

 

Geschil

 

11. In geschil is of de teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak van 1 november 2012 tot en met 31 december 2012 (de teruggaaf) terecht is geweigerd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verhuur van de kantoorruimte aan [B.V. ] van omzetbelasting is vrijgesteld.

 

12. Eiser stelt dat de teruggaaf ten onrechte is geweigerd. Volgens eiser is de verhuur van de kantoorruimte aan [B.V. ] niet vrijgesteld van omzetbelasting. Daartoe stelt eiser dat [B.V. ] de kantoorruimte uitsluitend heeft gebruikt voor met omzetbelasting belaste prestaties. Subsidiair stelt hij dat het vrijgestelde gebruik van de kantoorruimte minimaal is.

 

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de teruggaaf terecht is geweigerd. Volgens verweerder is de verhuur van de kantoorruimte aan [B.V. ] van omzetbelasting vrijgesteld omdat de kantoorruimte niet nagenoeg uitsluitend is gebruikt voor belaste prestaties. Verweerder wijst daartoe op de omzetverhouding tussen de vrijgestelde en belaste prestaties van [B.V. ] zoals die blijkt uit het controlerapport. Ook stelt verweerder dat aannemelijk is dat de kantoorruimte door [eiser 1] en [eiser 2] ook voor privé-doeleinden is gebruikt.

 

Beoordeling van het geschil

 

14. Artikel 11, eerste lid, van de Wet OB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

 

(…)

 

b. de verhuur (de verpachting daaronder begrepen) van onroerende zaken, met uitzondering van:

 

(…)

 

5°. de verhuur van onroerende zaken, andere dan gebouwen en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt, aan personen die de onroerende zaak gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 bestaat mits de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor hebben gekozen of in andere gevallen gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;

 

(…).”

 

15. Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel b. van de Wet OB is de verhuur van onroerende zaken in beginsel vrijgesteld van omzetbelasting. De bewijslast dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld onder 5°. van genoemde bepaling, rust op eiser. Eiser dient dus aannemelijk te maken dat de verhuur van de kantoorruimte aan [B.V. ] niet van omzetbelasting is vrijgesteld.

 

16. In de huurovereenkomst tussen eiser en [B.V. ] is een met omzetbelasting belaste verhuur overeengekomen. Tevens is daarin bepaald dat [B.V. ] de kantoorruimte zal gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht bestaat op aftrek van omzetbelasting. Met de huurovereenkomst is een begin van bewijs geleverd dat voldaan is aan de voorwaarden die de wet stelt aan de uitzondering op vrijgestelde verhuur. Verweerder heeft echter met de verwijzing naar het controlerapport en de daarin opgenomen omzetgegevens voldoende gemotiveerd in twijfel getrokken dat de verklaring van [B.V. ] in het huurcontract over het gebruik van de kantoorruimte juist is. Ter zitting heeft [eiser 1] verder desgevraagd verklaard dat [B.V. ] niet is opgekomen tegen de bevindingen uit het controlerapport, zodat daarmee vaststaat dat zij ook vrijgestelde prestaties verrichtte. Nu [eiser 1] en [eiser 2] enig aandeelhouder en/of bestuurder van [B.V. ] zijn en de huurovereenkomst zowel namens eiser als namens [B.V. ] is ondertekend door [eiser 1] , mag van eiser worden gevraagd nader te onderbouwen dat de kantoorruimte nagenoeg uitsluitend door [B.V. ] is gebruikt voor belaste prestaties. Eiser moet ook in staat worden geacht nader inzicht te geven in de activiteiten die [B.V. ] vanuit de kantoorruimte heeft verricht.

 

17. Eiser stelt dat de kantoorruimte uitsluitend gebruikt is voor het verlenen van belaste managementdiensten door [B.V. ] en dat de vrijgestelde werkzaamheden ten aanzien van het vermogensbeheer en de leningen vrijwel volledig zijn uitbesteed. Werkzaamheden die eventueel nog wel door [B.V. ] zelf ter zake van het vermogensbeheer zijn verricht, zijn volgens eiser zeer beperkt van omvang en hebben niet plaatsgevonden in de kantoorruimte, maar in de werkkamer van [eiser 1] in de woning van [eiser 1] en [eiser 2] .

 

18. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de kantoorruimte uitsluitend voor belaste prestaties is gebruikt. Weliswaar valt niet uit te sluiten dat de kantoorruimte in hoofdzaak voor belaste prestaties is gebruikt, maar eiser heeft geen bescheiden overgelegd waaruit dit blijkt. Hij heeft enerzijds niet inzichtelijk gemaakt welke managementdiensten er vanuit de kantoorruimte zijn verricht en hoeveel tijd daarmee gemoeid is geweest. De overgelegde overeenkomst tussen [B.V. ] en N B.V. is daartoe, zonder nadere duiding, onvoldoende, want daaruit blijkt niet dat de desbetreffende werkzaamheden in of vanuit de kantoorruimte worden verricht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de werkzaamheden in het bijzonder bestonden uit het vinden van nieuwe zakenpartners in binnen- en buitenland. De pas ter zitting aangevoerde stelling dat er gedurende ongeveer een jaar naast [eiser 1] en [eiser 2] een derde werknemer in dienst was die vanuit de kantoorruimte managementdiensten zou hebben verricht, is niet met stukken onderbouwd. Anderzijds heeft eiser geen bescheiden overgelegd voor zijn stelling dat alle werkzaamheden ten aanzien van de vrijgestelde activiteiten van [B.V. ] zijn uitbesteed en de kantoorruimte daarvoor niet is gebruikt. Zo heeft eiser nagelaten te concretiseren op welke wijze en onder welke voorwaarden de financiële dienstverlening door [B.V. ] is uitbesteed. Het had op de weg van eiser gelegen om daaromtrent stukken te overleggen.

 

19. Nu eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de kantoorruimte door [B.V. ] nagenoeg uitsluitend voor belaste prestaties is gebruikt en niet voor vrijgestelde prestaties, is de uitzondering van artikel 11, eerste lid, onderdeel b. onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 niet van toepassing en geldt dat de verhuur van de onroerende zaak is vrijgesteld. De vraag of de kantoorruimte ook privé is gebruikt behoeft geen behandeling.

 

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de teruggaaf van omzetbelasting die ter zake van de bouw van de kantoorruimte in rekening is gebracht, terecht geweigerd. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

 

Proceskosten

 

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

Beslissing

 

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, en mr. G.J. Ebbeling en mr. [eiser 2] .J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2020.