Home » Herzieningsvoorstel box 3 pas na de zomer naar Tweede Kamer

Herzieningsvoorstel box 3 pas na de zomer naar Tweede Kamer

Publicatiedatum

30/04/2020

Aard

publicatie

Nummer BIK code

2020-0000078893

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad in een aantal arresten over de vermogensrendementsheffing van box 3 geoordeeld dat deze heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zover het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. De arresten betreffen de jaren 2013 en 2014. De Hoge Raad heeft niet vastgesteld dat er voor de jaren 2013 en 2014 sprake is van een dergelijke schending omdat niet feitelijk is vastgesteld dat het gemiddeld haalbare rendement lager was dan 1,2%. De arresten gelden ook voor de jaren 2015 en 2016 omdat het box 3-stelsel in die jaren niet is gewijzigd.

 

Het kabinet heeft drie onafhankelijke juridische deskundigen gevraagd advies te geven over de toepassing van artikel 1 EP EVRM. Daarnaast is het CPB gevraagd om aan te geven welk rendement zonder risico gemiddeld haalbaar was in de jaren 2013 tot en met 2016.

 

De juridisch deskundigen adviseren de Staat om, als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in een van de jaren onder de 1,2% uitkomt, belastingplichtigen waar nodig te compenseren. Het CPB geeft aan dat niet duidelijk is welke cijfers gebruikt dienen te worden voor de berekeningswijze van het gemiddeld haalbare rendement. Op basis van het onderzoek van het CPB is het voor het kabinet niet eenduidig vast te stellen of het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in de jaren 2013, 2014, 2015 of 2016 lager is dan 1,2%. Het kabinet streeft ernaar om in het najaar de kabinetsreactie op het advies van de drie deskundigen en de notitie van het CPB aan de Tweede Kamer te sturen. Dat betekent ook dat het wetsvoorstel ter aanpassing van box 3 niet zal worden ingediend voor het zomerreces, zoals eerder was toegezegd.

 

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Postbus 20018

2500 EA DEN HAAG

 

Datum 24 april 2020

 

Betreft Vermogensrendementsheffing in box 3 - Aanbiedingsbrief advies deskundigen en notitie CPB 2013-2016

Ons kenmerk 2020-0000078893

 

 

Geachte voorzitter,

 

Op 14 juni 2019 heeft de Hoge Raad een aantal arresten gewezen over de vermogensrendementsheffing in de jaren 2013 en 2014.1 In die arresten concludeert de Hoge Raad dat deze heffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) voor zover het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement lager is dan 1,2%. De Hoge Raad heeft hiermee aangegeven in welk geval sprake zou zijn van een schending op stelselniveau, maar niet dat er voor de jaren 2013 en 2014 sprake is van een dergelijke schending. Of daadwerkelijk sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM hangt af van het feit of het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement gedurende de jaren 2013 en 2014 inderdaad lager was dan 1,2%. Dit geldt eveneens voor de jaren 2015 en 2016 omdat het box 3-stelsel in die jaren ongewijzigd van toepassing was. 

 

Zoals in de brief van het kabinet van 11 november 2019 aan uw Kamer over het advies van de parlementair advocaat is aangekondigd, heeft het kabinet drie onafhankelijke juridische deskundigen op het gebied van de toepassing van artikel 1 EP EVRM gevraagd hierover advies te geven.2 Daarnaast is het CPB gevraagd om aan te geven welk rendement zonder (veel) risico gemiddeld haalbaar was in de jaren 2013 tot en met 2016.

 

Bijgaand ontvangt u deze adviezen:

·      het Advies inzake vermogensrendementsheffing (box 3) voor de jaren 2013-2016 van 9 maart 2020 van de heren prof. mr. T. Barkhuysen, mr. P.J. van Amersfoort en prof. mr. R.H. Happé (het advies);

·      de CPB Notitie Rendementen op spaargeld en staatsobligaties 2013-2016 van maart 2020 (de notitie).

 

Allereerst ga ik in op het advies van de juridisch deskundigen. Deze zijn gevraagd te adviseren over (kort gezegd) de gevolgen van de arresten van 14 juni 2019 van de Hoge Raad over de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2013 - 2016. In het advies gaan de deskundigen in op de tweeledige vraag:

Gebiedt het (EVRM-)recht – mede gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) – dat de Nederlandse Staat maatregelen treft ervan uitgaande dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM?

Zo ja, welke maatregelen dient de Nederlandse Staat te nemen ingeval van strijdigheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP EVRM op stelselniveau wordt uitgegaan?

De juridisch deskundigen hanteren het uitgangspunt dat sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM als het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in een van de jaren in de periode 2013 tot en met 2016 volgens berekeningen van het CPB onder de 1,2% uitkomt. Zij concluderen dat als dit het geval is, een loyale uitvoering van het EVRM alsook het Nederlandse recht (algemene beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijkheidsnormen) zou vergen dat de Nederlandse Staat hier ook gevolgen aan verbindt. Zij adviseren in dat geval om belastingplichtigen waar nodig te compenseren. Hun advies in deze komt daarmee in grote lijnen overeen met het advies van de parlementaire advocaat.3

 

De vraag of het nominaal rendement in een van de jaren in de periode 2013 tot en met 2016 volgens berekeningen van het CPB onder de 1,2% uitkomt is hiervoor dus van belang. Ik zal daarom nu ingaan op het resultaat van het onderzoek dat het CPB heeft uitgevoerd hiernaar. Er is door het CPB in lijn met de arresten van de Hoge Raad onderzoek gedaan naar de rendementen in de jaren 2013 tot en met 2016 op drie categorieën van sparen en beleggen:

-       direct opneembare spaarrekeningen;

-       termijndeposito’s (met looptijden van 1 jaar, 5 jaar en 10 jaar);

-       Nederlandse staatsobligaties.

 

Het CPB geeft aan dat de juridische context niet eenduidig is ten aanzien van welke cijfers voor elke categorie gebruikt dienen te worden voor de berekeningswijze van het gemiddeld haalbare rendement. Het CPB presenteert aan de hand van de juridische uitgangspunten en de cijfers die in de rechtszaken zijn ingebracht, voor elke categorie meerdere alternatieven voor de relevante rendementen. Het CPB stelt zich op het standpunt dat het niet aan hen is om te oordelen welke van deze alternatieven moeten worden gebruikt. Het CPB geeft daarom aan het “zonder (veel) risico gemiddeld haalbare rendement” voor de drie categorieën samen niet te kunnen geven.

 

Op basis van het onderzoek van het CPB is het voor het kabinet niet eenduidig vast te stellen of het zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement in de jaren 2013, 2014, 2015 of 2016 lager is dan 1,2% en wanneer sprake is van een schending van artikel 1 EP EVRM op stelselniveau. Het kabinet heeft daarom meer tijd nodig voor een kabinetsreactie. Rekening houdend met de huidige situatie waarin Nederland zich als gevolg het coronavirus bevindt, is het streven nu om dit najaar de kabinetsreactie op het advies van de drie deskundigen en de notitie van het CPB aan uw Kamer te sturen.

 

Tijdens een algemeen overleg over de Belastingdienst op 4 maart 2020, heb ik uw Kamer toegezegd om voor het meireces een brief te sturen over de stand van zaken van de door mijn ambtsvoorganger aangekondigde aanpassing van box 3. Ik besef ten zeerste dat dit van groot belang is voor een grote groep Nederlanders. Om hier recht aan te doen, heb ik, mede ten gevolge van de huidige coronamaatregelen, meer tijd nodig. Ik streef ernaar om deze brief voor het zomerreces aan uw Kamer te sturen. Dat betekent tevens dat ik het wetsvoorstel ter aanpassing van box 3 niet zal indienen voor het zomerreces, zoals mijn ambtsvoorganger heeft toegezegd.

 

Hoogachtend,

 

de staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst,

J.A. Vijlbrief

 

1 HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816; HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:911; HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:912; HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:817; HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:948 en HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:949.

 

2 Kamerstukken II 2019/20, 32140, nr. 62.

3 Kamerstukken II 2019/20, 32140, nr. 61, bijlage 2019D41388.