Home » Navordering privégebruik auto

Navordering privégebruik auto

Publicatiedatum

16/04/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer BIK code

ECLINLGHARL20202789, 18/01021 tot en met 18/01023

De inspecteur mag bij het opleggen van een aanslag in beginsel uitgaan van de juistheid van de ingediende aangifte. Hij hoeft pas een nader onderzoek in te stellen als hij in redelijkheid behoort te twijfelen aan een in de aangifte opgenomen gegeven. Er is geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de gegevens als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.

 

Een ondernemer vermeldde in zijn aangiften inkomstenbelasting dat de auto van de zaak een nulemissievoertuig was. Om die reden verwerkte hij in de aangiften geen bijtelling voor privégebruik van de auto. In de aangiften is niet opgenomen dat het om een auto met een dieselmotor ging. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden bestond de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat de auto een nulemissie-auto was. Of dit zo was hoefde de inspecteur niet te controleren. Dat had hij kunnen doen aan de hand van de gegevens van het voertuig bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW). Door niet te controleren heeft de inspecteur geen ambtelijk verzuim begaan. Bij een boekenonderzoek bij de ondernemer bleek dat de auto was uitgerust met een dieselmotor. Dit gegeven vormde een nieuw feit op grond waarvan de inspecteur tot navordering kon overgaan.

 

De ondernemer deed in de procedure een beroep op het vertrouwensbeginsel. De RDW had bij de gegevens van het voertuig een emissie vermeld van 0 g/km omdat de werkelijke uitstoot onbekend was. Het hof honoreerde het beroep op het vertrouwensbeginsel niet omdat het een feit van algemene bekendheid is dat een voertuig, dat uitsluitend wordt aangedreven door een verbrandingsmotor, niet een voertuig is dat geen CO₂-uitstoot heeft.

 

 Tekst

 

ECLINLGHARL20202789

 

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

 

Datum uitspraak 31-03-2020

 

Datum publicatie 10-04-2020

 

Zaaknummer 18/01021 tm 18/01023

 

Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:4221, Bekrachtiging/bevestiging

 

Rechtsgebieden Belastingrecht

 

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

 

Inhoudsindicatie IB/PVV. Navordering. Nieuw feit? Bijtelling privégebruik auto. Vertrouwensbeginsel. Informatie RDW.

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

 

locatie Arnhem

 

nummers 18/01021 tot en met 18/01023

 

uitspraakdatum: 31 maart 2020

 

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 september 2018, nummers AWB 17/6476, AWB 17/6478 en AWB 17/6481, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

 

1

Ontstaan en loop van het geding

 

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2012 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.970. Tevens is bij beschikking € 853 aan belastingrente in rekening gebracht. Ten slotte is een vergrijpboete opgelegd van € 1.392.

 

1.2.

Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.087. Tevens is bij beschikking € 636 aan belastingrente in rekening gebracht. Ten slotte is een vergrijpboete opgelegd van € 1.310.

 

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.443. Tevens is bij beschikking € 442 aan belastingrente in rekening gebracht.

 

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag IB/PVV 2012 verminderd naar een aanslag berekend over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.096, de beschikking belastingrente verminderd naar een bedrag van € 609 en de vergrijpboete gehandhaafd. Verder heeft hij de navorderingsaanslag 2013 IB/PVV verminderd naar een aanslag berekend over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.167, de beschikking belastingrente verminderd naar een bedrag van € 441 en de vergrijpboete gehandhaafd. Ten slotte heeft hij de aanslag 2014 IB/PVV verminderd naar een aanslag berekend over een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.619 en de beschikking belastingrente verminderd naar een bedrag van € 378.

 

1.5.

Na de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de beschikkingen inzake de vergrijpboetes ambtshalve vernietigd.

 

1.6.

Belanghebbende is tegen die uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor wat betreft de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding, doch de uitspraken voor het overige in stand gelaten.

 

1.7.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

 

1.8.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2019 te Arnhem. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

 

2

Vaststaande feiten

 

2.1.

Belanghebbende drijft in de onderhavige jaren een eenmanszaak. Op de balans staat een auto, een Volkswagen Transporter bestel D 132 Kw DC met het kenteken [0-YYY-00] (hierna: de auto). De auto rijdt op diesel. Niet in geschil is dat met de auto op jaarbasis meer dan 500 kilometer privé is gereden. Bij de vaststelling van de winst is door belanghebbende geen bijtelling voor privégebruik van de auto opgenomen.

 

2.2.

In de aangiften IB/PVV 2012 en 2013 van belanghebbende is vermeld dat een auto met kenteken [0-YYY-00] ter beschikking is gesteld aan belanghebbende en dat deze auto in de categorie “nulemissie” valt. Belanghebbende heeft dit ontleend aan informatie van de Rijksdienst voor het wegverkeer (hierna: RDW), waar ten tijde van het doen van de aangiften 2012 en 2013 stond vermeld dat de emissie van dit voertuig “0 g/km” bedroeg. De Inspecteur heeft met betrekking tot de jaren 2012 en 2013 primitieve aanslagen opgelegd conform de aangiften van belanghebbende.

 

2.3.

De RDW vermeldde om ict-technische redenen vóór medio 2017 ook een emissie van “0 g/km” met betrekking tot voertuigen waarvan de emissie onbekend was. Na medio 2017 is deze vermelding door de RDW gewijzigd in “niet geregistreerd”.

 

2.4.

De auto heeft niet een emissie van nihil en valt niet in de categorie “nulemissie”. De auto heeft een CO₂-uitstoot van meer dan 50 gram per kilometer.

 

2.5.

Bij belanghebbende is in maart 2017 een boekenonderzoek uitgevoerd naar de aanvaardbaarheid van het achterwege blijven van een bijtelling voor privégebruik van de auto in de aangiften IB/PVV 2010 en later 2010 tot en met 2014. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek zijn de onderhavige navorderingsaanslagen (2012 en 2013) opgelegd, en is de aanslag na correctie opgelegd (2014).

 

3

Geschil

 

In hoger beroep is in geschil of de navorderingsaanslagen in stand kunnen blijven. Belanghebbende stelt dat van kwade trouw geen sprake is, dat de Inspecteur niet beschikt over een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), dan wel dat het vertrouwensbeginsel aan navordering in de weg staat.

 

4

Beoordeling van het geschil

 

Navordering

4.1.

De inspecteur dient bij het opleggen van een aanslag steeds kennis te nemen van de hem ter beschikking staande informatie. Hij mag daarbij in beginsel van de juistheid van de ingediende aangifte uitgaan. Nader onderzoek dient de inspecteur in te stellen als hij in redelijkheid behoort te twijfelen aan enig in de aangifte opgenomen gegeven, na met normale zorgvuldigheid van de aangifte kennis te hebben genomen en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval. Twijfelen is niet geboden als de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (zie HR 12 maart 2010, nr. 08/04868, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, HR 16 april 2010, nr. 08/05088, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082 en HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

 

4.2.

In de aangiften is opgenomen dat de auto, waarvan het kenteken is vermeld, een nulemissie auto is. In de aangiften is niet opgenomen dat de auto beschikt over een dieselmotor. De niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond daardoor dat de auto daadwerkelijk een nulemissie auto was (een volledig elektrische auto) of een CO₂-uitstoot van minder dan 50 gram per kilometer had. De Inspecteur was niet gehouden dit (al dan niet geautomatiseerd) te controleren aan de hand van informatie die niet in de aangiften was opgenomen (bijvoorbeeld informatie bekend bij de RDW) en de Inspecteur beging naar het oordeel van het Hof op dit punt geen ambtelijk verzuim toen hij de ambtshalve aanslagen 2012 en 2013 oplegde conform deze in de aangiften opgenomen informatie.

 

4.3.

De informatie uit het boekenonderzoek, te weten dat de auto beschikte over een dieselmotor, dat het dus geen nulemissie auto was en evenmin sprake was van een CO₂-uitstoot van ten hoogste 50 gram per kilometer, vormde een nieuw feit in de zin van artikel 16 van de AWR op grond waarvan de Inspecteur tot navordering kon overgaan.

 

Vertrouwensbeginsel

4.4.

Belanghebbende stelt dat hij vertrouwen mag ontlenen aan de publicatie van de RDW omdat de Belastingdienst zelf verwijst naar die instelling. Het Hof stelt in dit verband voorop dat de RDW niet de meest zorgvuldige handelswijze heeft betracht toen ervoor gekozen werd de uitstoot van CO₂ en roetdeeltjes van voertuigen waarvan deze uitstoot onbekend was, weer te geven als “0 g/km”.

 

4.5.

Het Hof acht het echter een feit van algemene bekendheid, ook ten tijde van het doen van de aangiften IB/PVV 2012 en 2013, dat een voertuig dat uitsluitend wordt aangedreven door een verbrandingsmotor met diesel als brandstof, niet een voertuig is dat geen CO₂ uitstoot heeft. Belanghebbende moet daarom hebben beseft dat de RDW-registratie van de CO₂-uitstoot evident onjuist was. Ook geeft deze evident onjuiste registratie geen enkele aanwijzing voor de veronderstelling dat de CO₂-uitstoot van de auto minder dan 50 gram per kilometer zou bedragen. Uit de door belanghebbende overgelegde gegevens van de RDW waarin een emissie van 0 g/km is vermeld, staat bovendien vermeld – en wel vlak daarboven – dat het brandstofverbruik van de auto “niet geregistreerd” is. Voor zover al mededelingen van de RDW de Inspecteur kunnen binden, is het Hof op grond van het bovenstaande van oordeel dat de informatie van de RDW bij belanghebbende niet het in rechte te honoreren vertrouwen heeft kunnen wekken dat de auto een nulemissie auto was of als zodanig zou moeten worden behandeld. Ook het vertrouwensbeginsel staat derhalve niet aan het opleggen van de navorderingsaanslagen of het doorvoeren van de correctie in 2014 in de weg.

 

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de (navorderings)aanslag(en) in dat geval tot een juist bedrag zijn opgelegd.

 

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

 

5

Griffierecht en proceskosten

 

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

 

6

Beslissing

 

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

 

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. R.F.C. Spek en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.