Home » Openstaande vordering betaald door overdracht inventaris

Openstaande vordering betaald door overdracht inventaris

Publicatiedatum

14/05/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer SBI code

ECLINLRBDHA20204083, SGR 19/5718

Ondernemers hebben recht op teruggaaf van op aangifte voldane omzetbelasting voor zover de vordering door hun afnemer niet is en niet zal worden voldaan. Betaling van een vordering hoeft niet in geld te geschieden.
Het Hof van Justitie EU heeft geoordeeld dat voor de heffing van omzetbelasting ruilovereenkomsten, waarbij de tegenprestatie per definitie in natura wordt betaald, en handelingen waarvoor een tegenprestatie in geld wordt betaald, vanuit economisch en commercieel oogpunt twee identieke situaties zijn.

De eigenaar en de huurder van een onroerende zaak hebben in de huurovereenkomst geopteerd voor belaste verhuur. Sinds begin 2016 betaalde de huurder de huurtermijnen niet meer volledig. De huurovereenkomst is door de rechter per 31 mei 2017 ontbonden. De rechter heeft de huurder veroordeeld tot betaling van € 171.000 inclusief omzetbelasting aan achterstallige huur. De verhuurder en de huurder kwamen overeen dat de huurder de inventaris van de onroerende zaak zou overdragen aan de verhuurder als betaling voor de achterstallige huur. De verhuurder deed met zijn aangifte omzetbelasting een verzoek om teruggaaf van het bedrag aan omzetbelasting dat was begrepen in de achterstallige huur. Het ging om een bedrag van € 29.678 (21/121 x € 171.000). De Belastingdienst heeft het teruggaafverzoek afgewezen.

Voor de rechtbank was in geschil of de verhuurder recht had op teruggaaf van het in de huurvordering begrepen bedrag aan omzetbelasting. De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval was omdat de huurvordering was voldaan door de overdracht van de inventaris. Er was geen sprake van een niet betaalde vordering.

 

ECLINLRBDHA20204083

 

Instantie Rechtbank Den Haag

 

Datum uitspraak 15-04-2020

 

Datum publicatie 07-05-2020

 

Zaaknummer AWB - 19 _ 5718

 

Rechtsgebieden Belastingrecht

 

Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

 

Inhoudsindicatie X B.V. verhuurt een onroerende zaak aan Y B.V. Zij hebben geopteerd voor btw-belaste verhuur. Y B.V. betaalt de huurtermijnen niet meer volledig en de huurovereenkomst wordt bij rechterlijk vonnis ontbonden. X B.V. stelt dat sprake is van niet-betaling van haar huurvordering op D B.V. als bedoeld in artikel 29 van de Wet OB en verwerkt dit in haar aangifte omzetbelasting.

De inspecteur legt een naheffingsaanslag op.

 

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur terecht een naheffingsaanslag aan X B.V. heeft opgelegd en dat X B.V. geen recht heeft op een teruggaaf. X B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de huurvordering als bedoeld in artikel 29 van de Wet OB. Uit een door X B.V. en Y B.V. ondertekend document volgt dat Y B.V de huurvordering heeft voldaan door haar inventaris aan X BV over te dragen. X B.V. heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de inspecteur het neutraliteitsbeginsel heeft geschonden.

Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

 

zaaknummer: SGR 19/5718

 

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 april 2020 in de zaak tussen [eiseres 1] en [eiseres 2], te [vestigingsplaats], eiseres,

(gemachtigde: [A]), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

 

Procesverloop

 

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 september 2017 tot en met 30 september 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (de naheffingsaanslag).

 

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2019 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

 

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

 

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2020.

Namens eiseres zijn verschenen [B], [C] en [D]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [E] en [F].

 

Overwegingen

 

Feiten

1. Eiseres was tot 24 november 2017 een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB). Tot de fiscale eenheid behoren [eiseres 1] ( [eiseres 1] ) en [eiseres 2] ( [eiseres 2] ). [eiseres 1] handelde tot in 2017 onder de naam [B.V. 1] ( [B.V. 1] ).

 

2. [eiseres 1] is eigenaar van een onroerende zaak die zij sinds januari 2008 aan [B.V. 2] ) verhuurde. [eiseres 1] en [B.V. 2] hebben in de huurovereenkomst geopteerd voor een btw-belaste verhuur. Tot en met mei 2017 exploiteerde [B.V. 2] . een hotel/restaurant in de onroerende zaak. De jaarlijkse huursom over 2016 is vastgesteld op € 262.040,62 exclusief omzetbelasting. Voor 2017 was dat € 266.233,27 exclusief omzetbelasting.

 

3. [eiseres 1] heeft de maandelijkse huurprijs, vermeerderd met BTW, aan [B.V. 2] op facturen in rekening gebracht en de in rekening gebrachte omzetbelasting op aangiften voldaan.

 

4. Sinds begin 2016 betaalde [B.V. 2] . de huurtermijnen niet meer volledig.

De huurovereenkomst is bij rechterlijk vonnis van 31 mei 2017 ontbonden. Bij rechterlijk vonnis van 26 juli 2017 is [B.V. 2] veroordeeld tot betaling van € 171.000 inclusief omzetbelasting wegens huurachterstand tot en met mei 2017.

 

5. Tot de gedingstukken behoort een op 11 september 2017 door [B.V. 2] en [B.V. 1] ondertekend document, waarin onder meer het volgende staat:

“totaal voorstel inzake ontbonden huurovereenkomsten [ [eiseres 2] ] en [ [B.V. 2] .], ter voorkoming van tenuitvoerlegging ontruimingsvonnissen. (…)

[ [B.V. 2] .]

a) Huurder berust in het vonnis en stemt in met het einde van de huurovereenkomst zoals omschreven in het vonnis en zal daartoe minnelijk ontruimen per 31-10-2017.

Bij vertrek/oplevering/ontruiming door huurder 31-10-2017, zal de inventaris aan verhuurder wordt verkocht en achtergelaten.

b) Aankoop inventaris (conform staat juni 2017) door verhuurder/nader te noemen meester voor ad. € 171 K (incl. BTW), betaling enkel door middel van verrekening met de erkende huurachterstand € 171 K, inclusief BTW per 31.5.2017 (goodwill: 0€). Er vindt dus enkel verrekening met huurachterstand plaats (geen betaling).”

 

6. Eiseres heeft in haar aangifte omzetbelasting over het tijdvak september 2017 een negatieve omzet van € 135.490 en een negatief te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 28.453 aangegeven. Daarmee resulteert de aangifte in een verzoek om teruggaaf van € 28.453 (het teruggaafverzoek). Bij brief van 23 januari 2018 heeft eiseres, in antwoord op vragen van verweerder, verklaard dat deze negatieve bedragen het gevolg zijn van de afboeking van de vordering op [B.V. 2] . van € 171.000 (de vordering op [B.V. 2] .). In de aangegeven omzet is daarom een bedrag van negatief € 141.322 verwerkt en in de aangegeven verschuldigde omzetbelasting een bedrag van negatief € 29.678 (21/121 x € 171.000).

 

7. Verweerder heeft het teruggaafverzoek bij beschikking van 12 mei 2018 afgewezen (de teruggaafbeschikking). Met dagtekening 29 mei 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag opgelegd van € 1.225 (het aangegeven belastingbedrag van negatief € 28.453 plus het niet geaccepteerde bedrag van € 29.678). Daarbij is € 22 belastingrente in rekening gebracht.

 

Geschil

8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht aan eiseres is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet OB recht heeft op teruggaaf van het in de vordering op [B.V. 2] . begrepen bedrag aan omzetbelasting van € 29.678.

 

9. Eiseres stelt dat blijkens de in 5 vermelde afspraken vast is komen te staan dat

[B.V. 2] de nog openstaande huurvordering niet meer zal betalen. De vordering op [B.V. 2] . en de betaling van de koopprijs voor de inventaris zijn twee afzonderlijke prestaties waartussen geen causaal verband bestaat. Er vindt louter verrekening plaats en de vordering op [B.V. 2] . staat nog steeds open. Door verlaging van de maatstaf van heffing te weigeren, handelt verweerder verder in strijd met het neutraliteitsbeginsel. Eiseres wijst daarbij op rechtsoverweging 23 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), zaaknummer C-246/16, Enzo Di Maura (ECLI:EU:C:2017:887). Er is geen sprake van schuldvernieuwing en de huurvordering is ook niet omgezet in een lening.

 

10. Eiseres verzoekt de naheffingsaanslag en de rentebeschikking te vernietigen en een teruggaaf van € 28.453 te verlenen.

 

11. Verweerder stelt dat de vordering op [B.V. 2] . is voldaan door middel van verrekening met hetgeen eiseres verschuldigd was voor de overname van de inventaris. Gelet hierop heeft eiseres geen recht op de door haar gevraagde teruggaaf omzetbelasting op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet OB.

 

Beoordeling van het geschil

12. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen de teruggaafbeschikking. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij de teruggaafbeschikking niet heeft ontvangen maar dat het evident is dat het bezwaarschrift materieel (ook) is gericht tegen die beschikking. Nu eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de teruggaafbeschikking en verweerder evenmin uitspraak op bezwaar heeft gedaan met betrekking tot de teruggaafbeschikking, zou in beginsel eerst de bezwaarprocedure moeten worden gevolgd, die aanvangt met de juiste verzending door verweerder van de teruggaafbeschikking. Echter, de rechtbank zal, gelet op de finale geschilbeslechting en omwille van de tijd die een nieuwe en, gelet op het standpunt van verweerder, kennelijk zinloze bezwaarprocedure tegen de nog te verzenden teruggaafbeschikking van nihil in beslag zal nemen, uit proceseconomische overwegingen tevens een oordeel geven over het recht op teruggaaf. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat zowel de teruggaafbeschikking als de naheffingsaanslag het gevolg zijn van het door verweerder niet accepteren van het teruggaafverzoek, dat partijen over en weer hun standpunten daarover naar voren hebben gebracht en dat eiseres in het beroepschrift ook om de teruggaaf verzoekt.

 

13. Het HvJ EU heeft geoordeeld dat ruilovereenkomsten, waarbij de tegenprestatie per definitie in natura wordt betaald, en handelingen waarvoor een tegenprestatie in geld wordt betaald, vanuit economisch en commercieel oogpunt twee identieke situaties zijn (zie in die zin de arresten van 19 december 2012, Orfey Balgaria EOOD, nummer C‑549/11, punt 35 (ECLI:EU:C:2012:832) en van 3 juli 1997, Goldsmiths (Jewellers) Ltd, nummer C‑330/95, punten 23 en 25 (ECLI:EU:C:1997:339) .

 

14. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van haar vordering op [B.V. 2] . als bedoeld in artikel 29 van de Wet OB. Eiseres is daarin niet geslaagd.

 

15. Uit de in 5 vermelde afspraak volgt dat [B.V. 2] . het bedrag van € 171.000 dat zij op grond van het rechterlijk vonnis van 26 juli 2017 aan eiseres moest betalen, heeft voldaan door haar inventaris aan [eiseres 1] over te dragen. Eiseres heeft niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat de waarde van die inventaris niet minimaal € 171.000 bedroeg. Gezien de in

13 aangehaalde jurisprudentie is de vordering op [B.V. 2] . daarmee volledig voldaan. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat verweerder het neutraliteitsbeginsel heeft geschonden, de enkele verwijzing naar het arrest Enzo di Maura is daarvoor onvoldoende.

 

16. Eiseres geeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de rentebeschikking. Ook overigens is niet gebleken dat de rente is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Awr.

 

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

 

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

Beslissing

 

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

 

Deze uitspraak is gedaan op 15 april 2020 door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. A.J. van Doesum, leden. De griffier in deze zaak is mr. S.R.M. Dekker. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.”