Home » Recht op aanpassing arbeidsduur

Recht op aanpassing arbeidsduur

Publicatiedatum

09/04/2020

Aard

arbeidsrecht - jurisprudentie

Nummer BIK code

ECLINLGHSHE20201145, 200.275.903/01

De Wet flexibel werken (Wfw) bepaalt dat een werknemer een verzoek kan doen om de arbeidsduur aan te passen. De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd in, tenzij zwaarwegende bedrijfsbelangen zich daartegen verzetten. Volgens Hof Den Bosch rusten op de werkgever de stelplicht en de bewijslast dat sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen die zich tegen toewijzing van een verzoek om aanpassing van de arbeidsduur verzetten.

 

Een werkneemster met een arbeidscontract voor 33,75 uur nam na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof per week 9,75 uur ouderschapsverlof op. De werkneemster diende een verzoek in bij de werkgever om ook na het einde van het ouderschapsverlof 24 uur per week te werken. De werkgever wees dat verzoek af, omdat de functie van de werkneemster volgens de personeelsgids een minimale inzet van 30 uur per week vereiste. 

 

Het hof vond de vermelding in de personeelsgids van de minimale omvang van een functie onvoldoende reden om een verzoek om vermindering van de arbeidsduur te weigeren. De werkgever voerde aan dat de functie praktisch gezien niet was uit te voeren in 24 uur per week en dat indirecte werkzaamheden te zwaar drukten bij die omvang van de werkweek. Op de vraag van het hof om voorbeelden te noemen van een praktische moeilijkheid om de functie in 24 uur per week uit te voeren had de werkgever geen antwoord. Het hof was met de werkgever van oordeel dat indirecte en niet declarabele werkzaamheden relatief zwaarder drukken bij een deeltijd dienstverband. Aangezien het de werkneemster gedurende anderhalf jaar was gelukt om haar werkzaamheden uit te voeren in 24 uur per week en zich in die periode geen problemen hebben voorgedaan, oordeelde het hof dat het niet onmogelijk was om de functie uit te voeren in 24 uur. Evenmin is gebleken dat de werkneemster de functie niet aankon in 24 uur per week.

 

De werkgever had volgens het hof onvoldoende reden om de door de werkneemster gewenste aanpassing van de arbeidsduur te weigeren. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en bepaald dat de werkgever het verzoek tot vermindering van de arbeidsduur ten onrechte heeft afgewezen. Het hof kon echter het verzoek om vermindering van de arbeidstijd niet toewijzen omdat de werkneemster de arbeidsovereenkomst inmiddels had opgezegd. Het belang van de procedure betrof enerzijds de vergoeding van kosten in eerste aanleg en anderzijds de parallelle procedure bij de kantonrechter waarin de werkneemster vergoedingen vordert in verband met haar ontslag.

 

Brondocument

 

ECLINLGHSHE20201145

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak 31-03-2020

Datum publicatie 01-04-2020

Zaaknummer 200.275.903_01

Formele relaties Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1094

Rechtsgebieden Arbeidsrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie Wet flexibel werken; verzoek om aanpassing arbeidsduur (vermindering) ten onrechte afgewezen; stelplicht (en bewijslast) op werkgever Zie voorts ECLI:NL:GHSHE:2020:1094

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

 

zaaknummer 200.275.903/01

 

arrest van 31 maart 2020 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. G.P. Oberman te Eindhoven, tegen [de vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als [de vennootschap], advocaat: mr. M.J.E. Stuurop te ’s-Hertogenbosch, in vervolg op de beschikking van dit hof van 26 maart 2020 als tussen partijen in hoger beroep gewezen.

 

1

Het procesverloop

 

1.1.

Het hof verwijst voor het procesverloop in eerste aanleg en in hoger beroep naar zijn beschikking van 26 maart 2020 met zaaknummer 200.267.217/01 zoals tussen de partijen uit de onderhavige procedure gewezen, waarbij de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, namelijk geschikt voor het doen van uitspraak, naar de rol van heden is verwezen ten einde uitspraak bij arrest te doen.

 

1.2.

Het hof doet thans recht op de in bedoelde beschikking van 26 maart 2020 vermelde stukken en de aldaar genoemde stukken van de eerste aanleg.

 

2

De beoordeling

 

De feiten

 

2.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

 

2.1.1.

[appellante] is op 15 mei 2006 bij [de vennootschap] in dienst getreden. Zij is toen 37,5 uur per week gaan werken. Per 1 april 2011 is [appellante] de functie van manager advies gaan vervullen. Per 1 juni 2014 is [appellante] 32 uur per week gaan werken. Met ingang van 1 januari 2017 is zij 33,75 uur per week gaan werken.

 

2.1.2.

[appellante] is op 23 maart 2017 met zwangerschapsverlof gegaan. Zij is op [geboortedatum] 2017 bevallen van een zoon. Na haar bevallingsverlof heeft zij in de maanden augustus tot en met oktober 2017 onbetaald verlof genomen. Met ingang van 1 november 2017 heeft zij 9,75 uur per week ouderschapsverlof opgenomen, zodat zij 24 uur per week werkzaam was.

 

2.1.3.

Op 9 mei 2019 heeft [appellante] met [de vennootschap] onder andere gesproken over haar wens om na het eindigen van het ouderschapsverlof (op 24 juli 2019) 24 uur per week te kunnen blijven werken. Op 23 mei 2019 heeft [appellante] schriftelijk aan [de vennootschap] verzocht om met ingang van 1 augustus 2019 24 uur per week te mogen werken. Op 24 mei 2019 heeft daarover een gesprek plaatsgevonden. [de vennootschap] heeft afwijzend op dat verzoek gereageerd. [de vennootschap] heeft aangegeven dat de functie die [appellante] vervult een minimale inzet van 30 uur per week vereist. [de vennootschap] heeft verwezen naar haar personeelsgids waarin dat zo is vermeld. Volgens [de vennootschap] is die beperking in de personeelsgids mogelijk door hetgeen daarover in artikel 2.2.3 van de toepasselijke cao [de vennootschap] is vermeld. [de vennootschap] heeft op 3 juni 2019 schriftelijk bevestigd dat het verzoek van [appellante] om 24 uur per week te werken niet overeenstemt met haar beleid en dat zij een minimale inzet vraagt van 30 uur per week. Het ouderschapsverlof eindigde op 24 juli 2019.

 

2.1.4.

Zoals hiervoor al is vermeld heeft [appellante] een verzoek ingediend bij de kantonrechter om te bepalen dat de arbeidsduur 24 uur per week zal zijn in plaats van 33,75 uur per week. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van [appellante] afgewezen onder compensatie van proceskosten.

 

2.1.5.

Bij brief van 6 oktober 2019 heeft [appellante] op staande voet ontslag genomen. De ontslagreden houdt verband met de afwijzende reactie van [de vennootschap] op haar verzoek om vermindering van de arbeidsduur. [appellante] heeft een verzoek bij de kantonrechter aanhangig gemaakt waarin zij vergoedingen vordert van [de vennootschap] wegens dat ontslag op staande voet.

 

De verzoeken in hoger beroep en het belang bij het hoger beroep

 

2.2.1.

[appellante] heeft in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen. Verder heeft zij het hof verzocht te bepalen dat [de vennootschap] ten onrechte het verzoek tot vermindering arbeidsduur heeft afgewezen en te bepalen dat voor haar een arbeidsduur van 24 uur (bedoeld zal zijn: per week) zal gelden per een in goede justitie te bepalen datum, met veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten van beide instanties, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

 

2.2.2.

Na indiening van het beroepschrift waarin [appellante] deze verzoeken had geformuleerd, heeft zij op staande voet ontslag genomen (zie 2.1.5).

[de vennootschap] heeft aangevoerd dat [appellante] geen belang meer heeft bij het hoger beroep, omdat haar verzoek om vermindering van de arbeidsduur geen doel meer heeft omdat zij inmiddels ontslag heeft genomen.

 

2.2.3.

Het hof is van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat het oordeel over het verzoek om vermindering van de arbeidsduur relevant is in de beoordeling van het door [appellante] genomen ontslag op staande voet in de onder overweging 2.1.5 vermelde door [appellante] bij de kantonrechter aanhangig gemaakte procedure. Verder heeft [appellante] een belang bij het hoger beroep omdat de proceskosten in eerste aanleg zijn gecompenseerd (vgl. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1782 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2018:1782)). Het hof zal dus een oordeel geven over de vraag of [appellante] recht had op vermindering van de arbeidsduur.

 

De grieven

 

2.3.

[appellante] heeft na een uitvoerige schets van de achtergronden van het verzoek en een toelichting op de grieven, vijftien grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Met deze grieven wordt het geschil volledig opnieuw ter beoordeling aan het hof voorgelegd.

 

Het recht op vermindering van arbeidsduur

 

2.4.1.

In artikel 2 lid 5 Wfw is het volgende bepaald:

De werkgever willigt het verzoek van de werknemer om aanpassing van de arbeidsduur of de werktijd in, voor zover het betreft tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Het hof leidt uit deze bepaling af dat op [de vennootschap] de stelplicht (en bewijslast) rust dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen die zich tegen toewijzing van het verzoek verzetten.

 

2.4.2.

In artikel 2 lid 15 Wfw is het volgende bepaald:

Uitsluitend ten aanzien van vermeerdering van de arbeidsduur of aanpassing van de arbeidsplaats of de werktijd kan van dit artikel of een of meer onderdelen daarvan worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan dan wel, indien geen collectieve arbeidsovereenkomst of regeling van toepassing is of terzake geen bepaling bevat, indien de werkgever terzake schriftelijke overeenstemming heeft bereikt met de ondernemingsraad of, bij het ontbreken daarvan, met de personeelsvertegenwoordiging.

In de memorie van toelichting op de Wet aanpassing arbeidsduur (de voorloper van de Wfw) is hierover vermeld:

“Het voorliggende wetsvoorstel gaat uit van een individueel recht op aanpassing van de arbeidsduur. Afwijking van de minimumregeling ten nadele van werknemers op basis van collectieve afspraken is niet mogelijk.” (TK 1998-1999, 26 359, nr. 3. p. 6).

Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de vermelding in de personeelsgids dat bij een functie als die van [appellante] een minimale omvang van 30 uur per week nodig is, als zodanig onvoldoende reden is om het verzoek van [appellante] (reeds) te weigeren.

 

De verweren van [de vennootschap]

 

2.4.3.

De door [de vennootschap] gevoerde verweren laten zich als volgt samenvatten:

- de functie van [appellante] valt praktisch gezien niet uit te voeren in 24 uur per week;

- de indirecte werkzaamheden drukken relatief te zwaar bij een werkweek van 24 uur;

- [de vennootschap] heeft een belangrijk financieel belang bij een grotere inzet van [appellante] dan 24 uur per week.

Het hof constateert dat deze bezwaren niet vallen onder de in artikel 2 lid 9 Wfw (niet limitatief) genoemde zwaarwegende bedrijfsbelangen.

Het hof zal deze bezwaren achtereenvolgens beoordelen.

 

De functie valt praktisch gezien niet uit te voeren in 24 uur per week

 

2.4.4.

Volgens [de vennootschap] is het plannen van bijeenkomsten (intern) en het maken van afspraken met opdrachtgevers et cetera complex en krampachtig. [de vennootschap] heeft dit argument niet nader geconcretiseerd. Nu [appellante] ruim anderhalf jaar haar functie feitelijk heeft uitgevoerd in 24 uur per week, had van [de vennootschap] verlangd mogen worden dat zij dit argument nader had toegelicht. [de vennootschap] heeft geen voorbeelden gegeven van situaties waarin het niet is gelukt of waarin het moeilijk was om afspraken te maken. Zij heeft dit hele argument niet nader uitgewerkt. Ook op een vraag van het hof hierover kon [de vennootschap] geen enkel concreet voorbeeld noemen van een praktische moeilijkheid om de functie in 24 uur per week uit te voeren. Het hof is van oordeel dat [de vennootschap] wat dit argument betreft niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Aan bewijslevering komt het hof dus niet toe.

 

De indirecte werkzaamheden drukken relatief te zwaar bij een werkweek van 24 uur

 

2.4.5.

Volgens [de vennootschap] bestaan de werkzaamheden uit directe en indirecte werkzaamheden, of anders gezegd, uit declarabele en niet declarabele werkzaamheden. De niet declarabele werkzaamheden zijn onder meer acquireren, netwerken, het bijhouden van kennis, het bijwonen van interne bijeenkomsten, het overleggen met het team en het bijwonen van organisatie brede activiteiten. Die werkzaamheden drukken bij een werkweek van 24 uur relatief zo zwaar dat [de vennootschap] dat niet wenselijk vindt. [de vennootschap] wil haar werknemers beschermen en verlangt van hen dat zij, gelet op hun takenpakket, een werkweek kiezen die feitelijk ook realiseerbaar is. [de vennootschap] heeft in dit verband verwezen naar het ‘Persoonlijk Doelen Plan 2018’ van [appellante] (productie 2 bij verweerschrift in hoger beroep), waaruit de juistheid van haar standpunt volgens [de vennootschap] volgt.

 

2.4.6.

Het hof is met [de vennootschap] van oordeel dat in beginsel indirecte / niet declarabele werkzaamheden relatief zwaarder drukken bij een deeltijd dienstverband vergeleken met een voltijd dienstverband. Het is [appellante] echter gedurende ruim anderhalf jaar feitelijk gelukt om haar werkzaamheden uit te voeren in 24 uur per week. In die periode hebben zich kennelijk geen problemen voorgedaan. De juistheid van het standpunt van [de vennootschap] volgt niet uit het ‘Persoonlijk Doelen Plan 2018’. In dat plan staat het volgende vermeld: “Dag [betrokkene] , tja, ik zou vanalles willen, maar de ervaring van de afgelopen maanden heeft geleerd dat met 3 dagen in de week werken, acquisitie en omzet maken, én bij blijven bij de veranderingen van het bedrijf….het gaat tot nu toe goed, maar het valt niet mee. Graag zou ik met je willen overleggen wat haalbaar is. Ik ben namelijk nu al heel blij dat ik redelijk goed in omzet blijf en redelijk goed in acquisitie. Ook lukt het me om gezamenlijke organisatiebijeenkomsten bij te wonen. Hoeveel meer kan ik doen op het moment…”. Het hof kan hieruit wel afleiden dat het [appellante] niet meeviel om de functie uit te voeren in 24 uur, maar niet dat het onmogelijk was. Het is het hof evenmin gebleken dat [appellante] de functie niet aankon in 24 uur per week. Zo is bijvoorbeeld niet aangevoerd dat [appellante] regelmatig ziek is geweest of dat het werk voor haar zodanig zwaar was dat zij daaronder leed. [de vennootschap] heeft zich wat dit argument betreft beperkt tot het hiervoor gegeven citaat. Ook dit argument acht het hof daarom onvoldoende geconcretiseerd om [appellante] de door haar gewenste aanpassing van de arbeidsduur te weigeren.

 

[de vennootschap] heeft een belangrijk financieel belang bij een grotere inzet van [appellante] dan 24 uur per week

 

2.4.7.

Volgens [de vennootschap] is haar financieel rendement al enkele jaren te laag. Zij heeft in de jaren 2015, 2017 en 2018 verliezen geleden en in 2016 slechts een kleine winst gerealiseerd. In 2018 heeft [de vennootschap] nieuwe maatregelen getroffen om een omslag te bewerkstelligen, waaronder het meer sturen op declarabiliteit en marge. [de vennootschap] heeft daartoe verwezen naar door haar overgelegde cijfers (productie 19). [appellante] heeft onder verwijzing naar een bericht van [de vennootschap] van 27 maart 2018 (productie 8 hoger beroep) daar echter tegen in gebracht dat de problemen niet zijn te wijten aan de gerealiseerde omzet, maar dat er meer kosten zijn gemaakt dan begroot door investeringen in personeel en in een nieuw systeem. [de vennootschap] heeft dat tijdens de zitting in hoger beroep erkend. Zij heeft aangevoerd dat er nu eenmaal af en toe investeringen gedaan moeten worden. Dat betekent echter naar het oordeel van het hof, dat het verweer van [de vennootschap] dat haar financieel rendement te laag is, genuanceerd dient te worden, mede gezien de zeer summiere overgelegde financiële stukken. [de vennootschap] heeft daardoor haar verweer dat het financiële belang het noodzakelijk maakt dat [appellante] minstens 30 uur per week werkt, onvoldoende onderbouwd.

 

2.4.8.

In eerste aanleg heeft [de vennootschap] nog aangevoerd dat [appellante] in 2018 veel te weinig uren had besteed aan acquisitie, maar [de vennootschap] heeft na de bestreden beschikking toegegeven dat de cijfers waarop zij dat standpunt had gebaseerd, onvolledig waren. Zij heeft in hoger beroep erkend dat het in eerste aanleg gepresenteerde urenoverzicht niet compleet was. Dat argument gaat dus in hoger beroep niet meer op.

[de vennootschap] heeft over dat argument in hoger beroep aangevoerd dat, ook als uitgegaan wordt van het juiste aantal directe en indirecte uren, het declarabele aandeel van [appellante] in 2018 slechts 56,6% was, terwijl de norm 70% is. [appellante] heeft daar echter tegen in gebracht dat zij substantieel aan het bedrijfsrendement heeft bijgedragen, omdat haar brutosalaris € 43.000,- bedroeg, terwijl zij een omzet had van € 102.000,-. [de vennootschap] heeft daarover verklaard dat ook nog rekening moet worden gehouden met allerlei lasten. Dat heeft [de vennootschap] echter niet met cijfers onderbouwd. Zelfs wanneer het hof 30% bij het brutoloon optelt (aan werkgeverslast), dan blijft staan dat de kosten voor [appellante] ver onder haar omzet blijven. Natuurlijk zal [de vennootschap] ook kosten moeten toerekenen aan [appellante] voor personeelsleden die geen declarabele werkzaamheden verrichten en andere kosten zoals ict, huisvesting, etc. [de vennootschap] heeft echter geen berekening gemaakt waaruit blijkt dat [appellante] met een dienstverband van 24 uur per week - en uitgaande van haar recente prestaties - [de vennootschap] in financieel opzicht niets of onvoldoende oplevert.

 

Slotsom

 

2.5.

Het hof is van oordeel dat [de vennootschap] onvoldoende heeft gesteld om er van uit te gaan dat een zwaarwegend bedrijfsbelang zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van [appellante] om de functie in 24 uur per week uit te voeren. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen. Het hof zal bepalen dat [de vennootschap] ten onrechte het verzoek van [appellante] tot vermindering van de arbeidsduur heeft afgewezen. Het hof kan echter het verzoek om vermindering van de arbeidstijd niet toewijzen, nu tussen partijen geen arbeidsovereenkomst meer bestaat.

 

2.6.

[de vennootschap] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, en deze proceskostenveroordeling zal als verzocht/gevorderd uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

 

3

De uitspraak

 

Het hof:

 

·      vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw rechtdoende:

·      bepaalt dat [de vennootschap] ten onrechte het verzoek tot vermindering van de arbeidsduur heeft afgewezen;

·      veroordeelt [de vennootschap] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] in eerste aanleg op € 81,- aan griffierecht en op € 600,- aan salaris advocaat en in hoger beroep op € 324,- aan griffierecht en op € 2.148,- aan salaris advocaat;

·      verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

·      wijst het meer of anders gevorderde af.

 

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, R.R.M. de Moor en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 maart 2020.

 

ECLINLGHSHE20201094

Instantie Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak 26-03-2020

Datum publicatie 01-04-2020

Zaaknummer 200.267.217_01

Formele relaties Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:1145

Rechtsgebieden Arbeidsrecht; Burgerlijk procesrecht

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

Inhoudsindicatie Arbeidsrecht; wet flexibel werken; wissel ex art. 69 Rv; dagvaardingsprocedure ipv verzoekschriftenprocedure

Wetsverwijzingen Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 69

Vindplaatsen Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2020-0366

 

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

 

Team Handelsrecht

 

Uitspraak : 26 maart 2020

Zaaknummer : 200.267.217/01

Zaaknummer eerste aanleg : 7884482 EJ VERZ 19-273

 

in de zaak in hoger beroep van [appellante], wonende te [woonplaats],

appellante, hierna aan te duiden als [appellante], advocaat: mr. G.P. Oberman te Eindhoven, tegen [de vennootschap], gevestigd te [vestigingsplaats], verweerster, hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. M.J.E. Stuurop te 's-Hertogenbosch.

 

1. Het procesverloop in eerste aanleg (zaaknummer 7884482 EJ-nummer 19-273) en in hoger beroep

 

1.1.

[appellante] heeft op 3 juli 2019 een verzoekschrift ingediend bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (ingekomen ter griffie op 5 juli 2019). [de vennootschap] heeft op 2 augustus 2019 een verweerschrift ingediend (ingekomen ter griffie op 5 augustus 2019). [appellante] heeft op 12 augustus 2019 een aanvullende productie ingediend. Op 13 augustus 2019 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt met daarbij gevoegd een namens [appellante] voorgedragen pleitnotitie. Bij beschikking van 20 augustus 2019 heeft de kantonrechter het verzoek van [appellante] afgewezen onder compensatie van proceskosten.

 

1.2.

Bij beroepschrift van 2 oktober 2019 is [appellante] in hoger beroep gekomen. Op 21 november 2019 heeft [de vennootschap] een verweerschrift ingediend. Op 12 februari 2020 heeft [appellante] aanvullende producties (genummerd 6 tot en met 8) ingediend. Het hof heeft met een faxbrief van 17 februari 2020 aan partijen laten weten dat tijdens de mondelinge behandeling onder andere aan de orde komt de vraag of het hof ‘de wissel’ (artikel 69 Rv) moet omzetten. Op 20 februari 2020 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling met instemming van [de vennootschap] beslist dat de producties 6 tot en met 8 van [appellante] deel uitmaken van het procesdossier. Beide partijen hebben de gelegenheid gehad de standpunten nader toe te lichten. De advocaat van [appellante] heeft daartoe een pleitnota overgelegd. Beide advocaten zijn nader ingegaan op de vraag of het hof artikel 69 Rv moet toepassen. Beide partijen hebben zich op dit onderdeel van de beoordeling in hoger beroep gerefereerd aan het oordeel van het hof. Het hof heeft daarna een datum bepaald voor beschikking of arrest.

 

1.3.

In artikel 261 lid 2 Rv is bepaald dat met een verzoekschrift worden ingeleid de zaken ten aanzien waarvan dit uit de wet voortvloeit. Het onderhavige verzoek is gebaseerd op de Wet flexibel werken (hierna: Wfw). In deze wet zijn geen procesrechtelijke regels opgenomen. Wel is vermeld dat de werknemer een ‘verzoek’ kan doen om de arbeidsduur aan te passen, maar de daarop betrekking hebbende bepalingen voegen daar allemaal aan toe dat dit verzoek moet worden gedaan bij de werkgever. Op welke wijze de werknemer bij een afwijzende reactie op dat verzoek een procedure aanhangig moet maken, is niet in de Wfw vermeld. Dat brengt het hof tot het oordeel dat het verzoek bij dagvaarding aanhangig gemaakt had moeten worden, zodat artikel 69 Rv dient te worden toegepast. Gelet op de stand van het geding zal het hof de zaak verwijzen naar de eerstvolgende roldatum na deze beschikking ten einde alsdan arrest te wijzen op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Daartoe overweegt het hof het volgende.

 

1.4.

Zoals hiervoor al is vermeld is met partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling besproken dat de vraag aan de orde is of de wissel ex artikel 69 Rv moet worden omgezet. Het hof heeft aangegeven dat de mondelinge behandeling, zoals die was gepland, feitelijk geen andere invulling heeft dan een comparitie van partijen en dat partijen de gelegenheid hebben hun standpunten nader toe te lichten, zowel voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van het geschil als wat betreft de procesrechtelijke gang van zaken waaronder begrepen een eventuele voortzetting van het geschil als dagvaardingsprocedure. Partijen hebben van die gelegenheid ook gebruik gemaakt. Het hof heeft aangekondigd dat, voor het geval het van oordeel is dat het geschil had moeten worden ingeleid bij dagvaarding, het voornemens is arrest te wijzen in plaats van beschikking. Zoals hiervoor al is vermeld hebben partijen zich wat dat betreft gerefereerd aan het oordeel van het hof.

 

2. De beslissing

 

Het hof:

 

verwijst de zaak naar de rol van 31 maart 2020 voor het wijzen van een arrest.

 

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, R.R.M. de Moor en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2020.