Home » Samenloop NOW en loonkostensubsidie

Samenloop NOW en loonkostensubsidie

Publicatiedatum

23/04/2020

Aard

publicatie

Nummer BIK code

2020-0000052676

De Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) bevat de verplichting voor werkgevers die een loonkostensubsidie ontvangen voor mensen met een arbeidsbeperking om de toekenning van de NOW-subsidie te melden aan de gemeente. Deze verplichting was bedoeld om dubbele financiering van loonkosten van deze doelgroep te voorkomen. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er inmiddels van doordrongen dat verrekening van de NOW-subsidie met de loonkostensubsidie moeilijk uitvoerbaar is. De staatssecretaris heeft daarom besloten om te accepteren dat de loonkosten van mensen met een arbeidsbeperking dubbel worden gesubsidieerd. De verplichting voor werkgevers om de toekenning van subsidie op grond van de NOW te melden komt te vervallen.

 

 Tekst

 

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Binnenhof 1A

2513 AA Den Haag

 

Datum 10 april 2020

 

Betreft Antwoorden naar aanleiding van schriftelijk overleg Kamerbrief Tozo

 

Onze referentie 2020-0000052676

 

 

Hierbij bied ik u mijn reactie aan op het verslag van het schriftelijk overleg Kamerbrief Tozo van 27 maart 2020. Van de gelegenheid maak ik gebruik om u het volgende te melden, dit onder verwijzing naar het antwoord op vragen van de leden van de SP-fractie.

 

In de brief van 31 maart 20201 bent u geïnformeerd over de regeling Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW)2.

In deze regeling staat een verplichting voor werkgevers die loonkostensubsidie ontvangen op grond van artikel 10d van de Participatiewet om de toekenning van subsidie op grond van de NOW te melden aan de gemeente van wie zij de loonkostensubsidie ontvangen. Deze verplichting was bedoeld om de gemeente de ruimte te geven om de loonkostensubsidie lager vast te stellen om zodoende dubbele financiering van loonkosten voor deze doelgroep te voorkomen.

 

Een nadere verkenning van de mogelijkheden bij gemeenten heeft mij doen inzien dat verrekening van de subsidie op grond van de NOW met de loonkostensubsidie moeilijk dan wel niet uitvoerbaar is. Om verrekening mogelijk te maken zijn zeer ingrijpende aanpassingen in de uitvoeringssystemen bij gemeenten noodzakelijk.

 

Dit zou extra investeringen vergen. Alles afwegende heb ik besloten om geen verdere stappen te zetten om verrekening mogelijk te maken, waarmee dubbele financiering van loonkosten voor mensen met een arbeidsbeperking onder de huidige bijzondere omstandigheden wordt geaccepteerd. De kosten hiervan zijn beperkt. Hiermee kan ook onrust worden voorkomen bij werkgevers die mensen uit de doelgroep banenafspraak in dienst hebben. De noodzaak voor een verplichting voor werkgevers die loonkostensubsidie ontvangen om de toekenning van subsidie op grond van de NOW te melden aan de gemeente van wie zij de loonkostensubsidie ontvangen komt hiermee te vervallen.

 

De ministeriële regeling NOW wordt in verband hiermee bij de eerstvolgende gelegenheid aangepast.

 

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 

T. van Ark

 

1 Kamerstukken II, 2019/20, 35420, nr. 8

 

2 Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 31 maart 2020, 2020-0000046630, tot vaststelling van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden, Stcrt. 2020, 19874.

 

II Reactie Staatssecretaris Van Ark op verslag schriftelijk overleg Uitwerking tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

 

0

De leden van de VVD-fractie vragen om signalen van zelfstandigen zonder personeel en zzp-organisaties over ervaren knelpunten constant te betrekken bij de uitvoering en verbetering van deze regeling en dat voortvarend te blijven doen.

Ik onderschrijf het belang dat de VVD-fractie hecht aan goede betrokkenheid van vertegenwoordigers van ondernemingsorganisaties bij de uitvoering en uitwerking van de regeling en hun signalen daarbij mee te nemen. Om die reden heb ik een klankbordgroep ingericht waarin deze vertegenwoordigers op regelmatige basis met mijn ministerie spreken.

 

1

De leden van de VVD-fractie vragen of ik kan aangeven op welke termijn een oplossing is gevonden voor de groep grensoverschrijdende zelfstandigen en hoe deze oplossing eruit ziet.

Op basis van het in de Participatiewet geregelde territorialiteitsbeginsel, en analoog aan het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004, was het aanvankelijk de bedoeling om alleen de mogelijkheid tot bijstand te bieden voor de zelfstandige die in Nederland woont en zijn bedrijf of zelfstandig beroep in Nederland uitoefent. Om te voorkomen dat in grenssituaties de zelfstandige tussen wal en schip terechtkomt, zal erin voorzien gaan worden dat de zelfstandige die in Nederland woont en buiten Nederland zijn bedrijf heeft c.q. zijn zelfstandig beroep uitoefent, aanspraak kan maken op bijstand voor levensonderhoud en andersom (wonen buiten Nederland maar bedrijf/beroep in Nederland) aanspraak kan maken op bijstand voor bedrijfskapitaal. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat zelfstandig ondernemers die in Nederland woonachtig zijn, óf hun bedrijf in Nederland hebben gevestigd, op goede wijze ondersteund kunnen worden, wat bijdraagt aan de doelstelling van de Tozo. Dit zal nader worden uitgewerkt in een ministeriële regeling. De ‘reguliere’ uitvoering van de Tozo wordt verzorgd door gemeenten. Met hen zal ik bespreken op welke wijze de uitvoering van de Tozo in grenssituaties op de beste wijze vorm kan worden gegeven.

 

2 + 3

De leden van de PVV-fractie vragen hoe bedrijven en ondernemers die inkomensderving ondervinden of verwachten te ondervinden, maar onder de huidige voorwaarden niet in aanmerking komen voor de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) van het ministerie van EZK, tegemoet worden gekomen, en of deze ondernemers en bedrijven gebruik kunnen maken van het noodpakket.

De TOGS-regeling is bedoeld als tegemoetkoming voor omvangrijke vaste lasten, anders dan personeelslasten. Daarom richt de regeling zich op ondernemers die daadwerkelijk beschikken over een fysieke vestiging of fysieke productiemiddelen, die los staan van de eigen woning, die essentieel zijn voor de uitoefening van de bedrijfsactiviteiten, en zorgen voor omvangrijke, periodiek terugkerende vaste lasten. Voor ondernemers die ingeschreven staan op het woonadres, maar wel voldoen aan de bovengenoemde vereisten, zal een aanvullende verklaring worden gevraagd om hen ook aanspraak te kunnen laten maken voor de tegemoetkoming. Daarnaast kunnen zelfstandigen een beroep doen op de Tozo, als zij voldoen aan de voorwaarden van deze regeling.

 

4

De leden van de PVV-fractie vragen of er nogmaals gekeken kon worden naar de impact van de coronacrisis op de verschillende, nog niet opgenomen branches, en te bezien of uitbreiding van toegang gewenst en mogelijk is. Het doel van de TOGS van het ministerie van EZK is om ondernemers, die een dominant effect zien op hun bedrijfsvoering door het wegblijven van de consument als direct gevolg van de kabinetsmaatregelen, snel ondersteuning te bieden in de dekking van hun vaste kosten, zoals de huur van een bedrijfspand. Het kabinet is op 28 maart 2020 tot het besluit gekomen om de non-food detail-en markthandel in aanmerking te laten komen voor de TOGS. Aanvullend hierop zijn op 7 april jl. opnieuw sectoren toegevoegd, waaronder taxibedrijven, tatoeageshops en food-retail.

 

5

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat, ingevolge het ontbreken van een partnertoets, in de scenario’s 1 en 2 (van de partners is één resp. zijn twee van hen (zelfstandig) ondernemer) maximaal 1.500 euro per huishouden wordt uitgekeerd en in scenario 3 (een alleenstaande (zelfstandig) ondernemer met kinderen) maximaal 1.050 euro.

Dit klopt, met dien verstande dat het afgeronde bedragen zijn van de per 1 januari 2020 geldende bijstandsnormen, inclusief vakantietoeslag.

 

6

De leden van de CDA-fractie vragen wat het betekent voor mensen die deels (zelfstandig) ondernemer zijn en die deels een dienstverband hebben (en dus werknemer zijn), dat zij voor een beroep op de Tozo-regeling moeten voldoen aan een urencriterium van 24 uur per week/1.225 uur per jaar.

Het urencriterium brengt tot uitdrukking dat de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep een reëel karakter met een substantieel tijdsbeslag dient te hebben. Om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering op grond van de Tozo geldt dat moet zijn voldaan aan het criterium dat de zelfstandige ten minste 1.225 uur per jaar (ofwel gemiddeld 23,5 uur per week) ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moet zijn geweest. Dit geldt ook voor degene die naast zijn zelfstandige activiteiten werkzaamheden in dienstbetrekking verricht. Er geldt hiervoor geen afwijkende norm. Indien een belanghebbende niet voldoet aan het urencriterium, wordt hij volgens de definitie in de Tozo niet aangemerkt als zelfstandige en kan daarmee geen recht doen gelden op een Tozo-uitkering. Wie niet aan het urencriterium voldoet, is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, waarvoor zijn werkgever zo nodig een beroep kan doen op de NOW, en kan eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet.

Indien degene die naast zijn zelfstandige activiteiten werkzaamheden in dienstbetrekking verricht, wel voldoet aan het urencriterium en aan de overige voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Tozo-uitkering, dan wordt bij het vaststellen van het recht op en hoogte van de algemene bijstand behalve het inkomen als zelfstandige ook het loon uit de dienstbetrekking in aanmerking genomen. Er bestaat alleen recht op algemene bijstand, als het totale inkomen de op de zelfstandige van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overstijgt.

 

7

De leden van de CDA-fractie vragen of zelfstandigen die deels zelfstandige en deels werknemer met een dienstverband zijn, een beroep kunnen doen op de Tozo-regeling en/of andere regelingen uit het Noodpakket banen en economie.

Voor het recht op Tozo voor personen die zowel zelfstandige activiteiten verrichten als werkzaamheden in dienstbetrekking, verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag.

Ondernemers (waaronder zelfstandigen) die voldoen aan de voorwaarden komen in aanmerking voor de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) van het ministerie van EZK, een gift van € 4.000,- bedoeld om vaste lasten te kunnen betalen terwijl omzet is weggevallen. Daarnaast ondersteunt het kabinet ondernemers (waaronder zelfstandigen) fiscaal, door ondernemers de mogelijkheid te geven tot bijzonder uitstel van betaling voor de inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en loonbelasting, zonder dat een verzuimboete in rekening wordt gebracht. Ook geldt er tijdelijk een lagere belasting- en invorderingsrente (0,01%), en kunnen ondernemers (waaronder zelfstandigen) die een lagere winst verwachten dat aangeven bij de Belastingdienst, zodat zij direct minder belasting gaan betalen.

Zie https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/ondernemers/content/coronavirus-belastingmaatregelen-om-ondernemers-te-helpen. Het kabinet verruimt ook de leenmogelijkheden voor ondernemers. Met al deze maatregelen helpen we ondernemers (waaronder zelfstandigen) om acute liquiditeitsproblemen op te vangen. Als het gaat om werknemers ondersteunt het kabinet werkgevers (via een beroep op de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud, de NOW) om personeel gewoon door te betalen, zodat er geen ontslagen hoeven te vallen.

 

8

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze de hoogte van de uitkering vastgesteld wordt.

De bijstand voor levensonderhoud op grond van de Tozo is een inkomensaanvulling tot de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm. De hoogte van deze bijstand aan de zelfstandige is gelijk aan de voor betrokkene geldende bijstandsnorm, verminderd met het eventuele verwachte inkomen van de zelfstandige.

De hoogte van de voor de belanghebbende toepasselijke bijstandsnorm wordt bepaald aan de hand van de artikelen 20, 21 en 24 van de Participatiewet. Er bestaan verschillende bijstandsnormen voor verschillende categorieën van bijstandsgerechtigden. Artikel 21 bevat de bijstandsnormen voor 21-jarigen tot de pensioengerechtigde leeftijd. Artikel 20 bevat de (lagere) bijstandsnormen voor 18- tot 21-jarige jongeren. In beide artikelen wordt er onderscheid gemaakt tussen alleenstaande en gehuwden, waarbij de bijstandsnorm voor een alleenstaande 70% bedraagt van de bijstandsnorm voor een paar.

Voor de zelfstandige die gehuwd is met een persoon die is uitgesloten van het recht op bestand, geldt op grond van artikel 24 van de Participatiewet dat de bijstandsnorm wordt gehalveerd. Uitgesloten van het recht op bijstand zijn bijvoorbeeld gedetineerden en personen tot 27 jaar met studiefinanciering.

Het feit dat de kostendelersnorm op grond van de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet niet van toepassing is op de uitvoering van de Tozo, betekent dat de aanwezigheid van kostendelers in de woning niet leidt tot een lagere bijstand.

 

9

De leden van de CDA-fractie vragen of ik overweeg het urencriterium naar rato toe te passen voor mensen die deels (zelfstandig) ondernemer zijn en die deels een dienstverband hebben.

Zoals ik reeds heb opgemerkt bij de beantwoording van vraag 6, wordt met het urencriterium tot uitdrukking gebracht dat de uitoefening van het bedrijf of beroep een reëel karakter met een substantieel tijdsbeslag moet hebben. Om die reden ben ik niet voornemens het urencriterium aan te passen of naar rato toe te laten passen. Wie niet aan het urencriterium voldoet is volgens de definitie van de Tozo geen zelfstandige. Met een eenduidige toepassing van dit criterium wordt voor de uitvoeringspraktijk een duidelijke afbakening bereikt. Wie niet aan het urencriterium voldoet, is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en kan bij een inkomen onder de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet.

 

10

De leden van de CDA-fractie vragen of het feit dat de Tozo-regeling bestemd is voor ondernemers vanaf 18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd, betekent dat ondernemers die tevens een uitkering hebben, bijvoorbeeld een uitkering uit de Algemene Ouderdomswet (AOW), er niet voor in aanmerking komen.

De kring van rechthebbenden voor de Tozo bestaat inderdaad uit zelfstandigen vanaf de leeftijd van 18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Ondernemers met een AOW-uitkering komen omdat zij de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt, niet in aanmerking voor bijstand op grond van de Tozo. Voor zelfstandigen van 18 jaar tot de AOW-gerechtigde leeftijd behoeft een uitkering op grond van de sociale verzekeringen in beginsel een Tozo-uitkering niet in de weg te staan. Uiteraard dient de zelfstandige wel te kunnen worden aangemerkt als zelfstandige volgens de criteria van de Tozo, waaronder het urencriterium, en dient de zelfstandige te worden geconfronteerd met een financieel probleem als gevolg van de coronacrisis.

 

11

De leden van de CDA-fractie vragen op welke regeling(en) deze ondernemers een beroep kunnen doen indien zij door de coronacrisis geen omzet meer hebben en onder het sociaal minimum terechtkomen.

Personen met een volledige AOW-uitkering kunnen nooit onder het sociaal minimum terechtkomen, ook niet als hun inkomen daalt als gevolg van de coronacrisis. Die mogelijkheid bestaat alleen voor personen met een onvolledige AOW-uitkering. Over het algemeen hebben personen met een onvolledige AOW al een uitkering op grond van de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO), waardoor zij een gegarandeerd inkomen hebben tot de voor AOW-gerechtigden geldende, hogere bijstandsnorm. Indien de AOW-gerechtigde ondernemer een inkomen heeft onder het sociaal minimum, al dan niet als gevolg van de coronacrisis, dan kan alsnog een beroep worden gedaan op de AIO, die wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank.

 

12

De leden van de CDA-fractie vragen of ik overweeg voor deze ondernemers het urencriterium naar rato toe te passen.

Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik aangeven heb bij het antwoord op vraag 9.

 

13

De leden van de CDA-fractie vragen of een (zelfstandig) ondernemer in april levensonderhoud kan aanvragen voor drie maanden (april, mei, juni), indien hij in de maand maart nog voldoende omzet had, maar voor de maanden april, mei en juni geen omzet meer verwacht.

Ja, dat is mogelijk.

 

14

De leden van de CDA-fractie vragen of voor de groep zelfstandigen in grenssituaties reeds een voorziening is getroffen, zodat zij ook voor de Tozo- of een vergelijkbare regeling in aanmerking kunnen komen.

Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, ben ik voornemens voor grenssituaties een regeling te treffen.

 

15

De leden van de CDA-fractie vragen hoe (snel) ik hierover naar deze ondernemers ga communiceren.

Het informeren zal zo snel mogelijk geschieden, maar zal pas kunnen plaatsvinden indien met gemeenten is afgestemd over de beste wijze van uitvoering voor deze ondernemers.

 

16

Op de vraag van de leden van de CDA-fractie of de Grensinfopunten hierbij betrokken worden, kan ik bevestigend beantwoorden.

 

17, 19 en 20

De leden van de CDA-fractie vragen of in alle gemeenten de aanvraagprocedure hetzelfde is. Deze leden vragen ook of de uitvoering wellicht eenduidiger kan en of het klopt dat sommige gemeenten werken met papieren aanvraagformulieren, terwijl de afspraak volgens hen is dat alles digitaal moet verlopen.

Ik begrijp de roep om een eenduidige uitvoering van de Tozo en ondersteun die ook. Samen met VNG, Divosa en gemeentelijke experts heb ik een toolkit ontwikkeld die bestaat uit een modelaanvraagformulier, een handreiking Tozo, modelbeschikkingen en -brieven en antwoorden op veel gestelde vragen. Deze producten zijn gepubliceerd op de websites van VNG en Divosa en dienen ertoe gemeenten te ondersteunen bij het inrichten van een snelle en efficiënte aanvraagprocedure en het toerusten van gemeentelijke ambtenaren om de aanvragen te behandelen. Ik heb gemeenten geadviseerd om de aanvragen zoveel mogelijk digitaal in te nemen en om een aanvraagformulier te hanteren dat gebaseerd is op het modelaanvraagformulier.

De VNG staat in verbinding met de leveranciers van gemeentelijke ICT-uitkeringssystemen. De VNG heeft met de leveranciers besproken dat zij een digitale aanvraagmogelijkheid onder de aandacht brengen en belangeloos beschikbaar stellen voor bij hen aangesloten gemeenten. Alle gemeenten hebben dit aanbod gekregen. Gemeenten kunnen zelf kiezen of zij hiervan gebruik willen maken. Hoewel ik gemeenten adviseer om zoveel mogelijk digitaal aanvragen in ontvangst te nemen en aan te sluiten op het modelaanvraagformulier, kunnen gemeenten hierin hun eigen keuzes maken. Ik ga er wel vanuit dat de aanvraagprocedures de komende tijd steeds meer gelijkenissen gaan vertonen door de uniformerende werking van de producten uit de toolkit. Ik blijf de komende maanden met gemeenten in nauw contact om hun behoefte aan ondersteuning bij de uitvoering van de Tozo in beeld te houden en samen met VNG en Divosa de uitvoering zoveel mogelijk te ondersteunen.

 

18

De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat sommige gemeenten bij een aanvraag een recent uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) verlangen, wat een ondernemer geld en tijd kost, of dat alsnog vermogens- of partnergegevens worden gevraagd. Deze leden vragen of dit wellicht anders kan, dat wil zeggen goedkoper en sneller.

Ik heb gehoord dat in de eerste weken nadat het kabinet de Tozo aankondigde sommige gemeenten in hun aanvraagprocedure naar een uittreksel van de Kamer van Koophandel vroegen en/of vragen naar vermogens- of partnergegevens stelden. Op 1 april 2020 heb ik in samenwerking met VNG, Divosa en gemeentelijke experts een modelaanvraagformulier gepubliceerd dat duidelijk maakt voor gemeenten welke vragen zij moeten stellen in hun aanvraagformulier en welke bewijsstukken zij moeten opvragen om het recht op de Tozo vast te stellen. Ik heb gemeenten geadviseerd om hun aanvraagformulieren aan te passen op het modelaanvraagformulier. Onderdeel van dit modelaanvraagformulier is de vraag naar een KvK-nummer van de onderneming van de aanvrager. Dit betekent dat de ondernemer geen uittreksel van de KvK hoeft aan te leveren.

Het vermogen blijft buiten beschouwing bij het vaststellen van het recht op Tozo en wordt dan ook niet via het modelaanvraagformulier uitgevraagd. Voor een aanvraag om bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt de ondernemer wel geacht om inzicht te geven in de liquide middelen, zodat aannemelijk wordt gemaakt dat de onderneming een liquiditeitsprobleem heeft.

In het modelaanvraagformulier wordt alleen gevraagd naar gegevens over de partner om te kunnen bepalen of voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand de bijstandsnorm voor alleenstaanden of gehuwden van toepassing is. Het inkomen van de partner blijft buiten beschouwing en wordt dan ook niet uitgevraagd in het modelaanvraagformulier.

 

21

De leden van de CDA-fractie vragen of uitkeringsinstanties eraan meewerken dat ondernemers die in 2020 vanuit een uitkeringssituatie zijn gestart en als gevolg van de coronacrisis geen omzet hebben en een gedeeltelijke uitkering, hun onderneming ‘on hold’ kunnen zetten en voor een bepaalde periode kunnen terugvallen op hun volledige bestaande uitkering.

Uitkeringsgerechtigden die vanuit de Participatiewet met toestemming van de gemeente als parttime ondernemer zijn begonnen, en nu vanwege de coronacrisis geen inkomsten uit het beroep of bedrijf hebben, komen weer in aanmerking voor volledige bijstand, afgestemd op de actuele situatie, hetgeen in ieder geval betekent zonder dat de weggevallen inkomsten uit beroep of bedrijf verrekend hoeven te worden met de uitkering volgens de regels van verrekening.

Ondernemers die naast de inkomsten uit hun onderneming een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, hebben te maken met inkomstenverrekening met de uitkering. Zij ontvangen de arbeidsongeschiktheidsuitkering op voorschotbasis, gebaseerd op de te verwachten inkomsten uit onderneming. Voor de definitieve vaststelling van het recht op uitkering wordt, op het moment dat het definitieve jaarinkomen bekend is, dit jaarinkomen evenredig toegerekend aan de kalendermaanden en verrekend met het verstrekte voorschot.

Het ‘on hold’ zetten van een onderneming kan wel een verlagend effect hebben op het jaarinkomen en op het te verrekenen bedrag per maand. De wet kent echter, anders dan bij algehele beëindiging van de onderneming, geen mogelijkheid om met een onderbreking van het kalenderjaar rekening te houden en het jaarinkomen te verdelen over minder kalendermaanden.

Als een uitkeringsgerechtigde verwacht dat de inkomsten uit onderneming lager worden, dan kan het voorschot op verzoek worden aangepast. Ook in dat geval vindt er later een definitieve vaststelling van het recht op uitkering plaats op basis van het definitieve totale jaarinkomen. Als de omzet zich later in het kalenderjaar herstelt, bestaat er de mogelijkheid dat de uitkeringsgerechtigde een deel van het hogere voorschot moet terugbetalen.

Vanuit de Werkloosheidswet kunnen WW-gerechtigden op twee manieren ondernemersactiviteiten starten en/of verrichten. Dit kan vanuit de startersregeling of op basis van verrekening van als zelfstandige gewerkte uren. Bij de startersregeling worden de inkomsten uit zelfstandige arbeid forfaitair verrekend. De forfaitaire korting op de WW-uitkering bedraagt 29% gedurende zes maanden. Onder meer vanuit het oogpunt van concurrentievervalsing voorziet de wet niet in de mogelijkheid om tijdelijk te onderbreken. Bij de andere manier, verrekening op basis van de als zelfstandige gewerkte uren, worden deze uren via een wettelijke verdeelsleutel blijvend in mindering gebracht op de WW-uitkering. Ook hierbij is niet voorzien in een tijdelijke onderbrekingsmogelijkheid, de uren worden blijvend gekort.

Zelfstandigen die door de coronacrisis geraakt worden en onder het sociaal minimum dreigen te raken, ook als zij nog gedeeltelijk een WW-uitkering ontvangen, kunnen een beroep doen op de Tozo. Zelfstandigen die geheel stoppen met hun onderneming, komen niet in aanmerking voor de Tozo (zie ook de beantwoording van vraag 136), maar kunnen wel de korting op hun WW-uitkering laten stopzetten. De facto ontvangen zij dan weer hun volledige uitkering, en kunnen zij niet meer opnieuw starten vanuit hetzelfde “opgebouwde WW-recht”.

 

22

De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat sekswerkers, van wie een groot aantal als gevolg van overheidsmaatregelen (zoals het verbod op contactberoepen, noodgedwongen sluiting en de inperking van bijeenkomsten) geen inkomen hebben, niet in aanmerking voor de Tozo-regeling komen, omdat ze vaak ofwel niet zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel ofwel staan ingeschreven onder de naam van persoonlijk dienstverlener.

Om als zelfstandige in aanmerking te kunnen op een uitkering op grond van de Tozo is een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een wettelijke vereiste. De omschrijving van de bedrijfsactiviteit, neergelegd in de zogenaamde SBI-code, is daarbij irrelevant. Er zijn geen beroepsgroepen uitgezonderd van het recht op Tozo.

 

23

De leden van de CDA-fractie vragen op welke regelingen sekswerkers zonder inkomen die niet aanmerking komen voor de Tozo een beroep kunnen doen.

Sekswerkers met een arbeidscontract komen in aanmerking voor de NOW (die hun werkgever kan aanvragen), of voor reguliere WW in geval van werkloosheid. Veel sekswerkers zijn echter zelfstandig. Deze groep komt in aanmerking voor de Tozo, voor zover zij aan de voorwaarden voldoen. Mensen die in de prostitutie werken en rechtmatig in Nederland verblijven, kunnen mogelijk aanspraak maken op reguliere bijstand, afhankelijk van de duur van het verblijf in Nederland en de kans op werk.

Het aanvragen van algemene bijstand kan gevolgen hebben voor de verblijfstatus, zowel voor mensen met een verblijfsvergunning als voor EU-burgers. De IND hanteert coulance ten aanzien van personen van wie de verblijfsvergunning afloopt (en door wie geen verlenging wordt aangevraagd) en voor EU-burgers die tijdelijk vanwege de huidige situatie niet terug kunnen naar het land van herkomst. Dit betekent dat de periode van ’overstay’ personen niet wordt aangerekend bij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning of visum of bij het uitreizen naar het land van herkomst na de coronacrisis. Personen zonder geldige verblijfstatus kunnen geen beroep doen op algemene bijstand.

 

24

De leden van de CDA-fractie vragen of rekening wordt gehouden met het feit dat sekswerkers meestal niet staan ingeschreven op een woonadres in Nederland, maar teruggaan naar het land van herkomst vanwege gesloten grenzen niet mogelijk is.

Zie hiervoor het antwoord op vraag 23.

 

25

De leden van de CDA-fractie vragen of ik kan bevestigen dat ook de zogeheten ‘deelloonvissers’ onder de reikwijdte van de Tozo-regeling vallen.

Deelvissers die als lid van de bemanning van een vissersvaartuig aanspraak hebben op een aandeel in de besomming en verzekerd zijn bij het Sociaal fonds maatschapsvisserij of (mede-) exploitant zijn van het vaartuig kunnen een beroep doen op de Tozo, mits zij voldoen aan de criteria.

Voor het geval zij daarnaast werkzaam zijn in een dienstbetrekking op grond waarvan zij verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 29.

 

26

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat een ondernemer binnen een huishouden waar een andere volwassene in loondienst is, aanspraak kan maken op een maximale uitkering van 1.500 euro en dat dit bedrag gelijk is aan de situatie waar beide partners ondernemer zijn zonder inkomen.

Ja, dat klopt, zie ook het antwoord op vraag 5.

 

27

De leden van de D66-fractie vragen waarom voor deze vormgeving is gekozen en of er een wettelijke basis is om mogelijk huishoudens met twee partners die beiden ondernemer zijn zonder inkomsten, een hogere uitkering toe te kennen dan een huishouden waarbij een van de partners in loondienst is.

De eis van snelle uitvoerbaarheid heeft ertoe geleid dat in de Tozo een aantal voorwaarden niet zijn opgenomen, die gewoonlijk wel aan bijstandsverlening worden gesteld, zoals de toets op het inkomen van de partner. De wettelijke basis van de Tozo is artikel 78f van de Participatie, op grond waarvan binnen de Tozo niet kan worden afgeweken van de bijstandsnormen van de Participatiewet. In beide gevallen wordt het inkomen aangevuld tot de bijstandsnorm voor gehuwden, waarbij het inkomen van de partner buiten beschouwing blijft. In het geval van twee gehuwden die beide zelfstandigen zijn, kan het inkomen van de meestverdienende zelfstandige buiten beschouwing blijven.

 

28

De leden van de D66-fractie vragen of er een inschatting kan worden gemaakt van de inkomenseffecten van de Tozo, en wat de verhouding is tussen de hoogte van deze uitkering en het reguliere netto inkomen van deze zelfstandigen van voor de coronacrisis. Gezien de grote diversiteit onder zzp’ers is het lastig om uitspraken te doen over de inkomenseffecten van de Tozo. Wel is bekend dat zelfstandig ondernemers een mediaan besteedbaar inkomen hadden van € 30.400 in 2018.

 

29

De leden van de D66-fractie vragen wat er bijvoorbeeld gebeurt als iemand als zzp’er minder dan 1.225 uur werkt, maar de rest van de tijd op een fictief dienstverband werkzaamheden uitvoert, wat bijvoorbeeld veel voorkomt in de cultuursector.

Het urencriterium brengt tot uitdrukking dat de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep een reëel karakter met een substantieel tijdsbeslag dient te hebben. Om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering op grond van de Tozo geldt dat moet zijn voldaan aan het criterium dat de zelfstandige ten minste 1.225 uur per jaar (ofwel gemiddeld 23,5 uur per week) ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moet zijn geweest. Dit geldt ook voor degene die naast zijn zelfstandige activiteiten werkzaamheden op basis van een fictief dienstverband verricht. Er geldt hiervoor geen afwijkende norm. Indien een belanghebbende niet voldoet aan het urencriterium, wordt hij volgens de definitie in de Tozo niet aangemerkt als zelfstandige volgens de definitie in de Tozo en kan daarmee geen recht doen gelden op een Tozo-uitkering. Wie niet aan het urencriterium voldoet, is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en kan eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet.

Indien degene die naast zijn zelfstandige activiteiten werkzaamheden op basis van een fictief dienstverband verricht, wel voldoet aan het urencriterium en aan de overige voorwaarden om in aanmerking te komen voor een Tozo-uitkering, dan wordt bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand behalve het inkomen als zelfstandige ook het inkomen uit het fictief dienstverband in aanmerking genomen. Er bestaat alleen recht op algemene bijstand, als het totale inkomen de op de zelfstandige van toepassing zijnde bijstandsnorm niet overstijgt.

 

30

De leden van de D66-fractie vragen of het kan voorkomen dat iemand in dat geval geen aanspraak kan maken op de Werkloosheidswet (WW), bijvoorbeeld omdat niet aan de referte-eis is voldaan, maar ook niet op de Tozo.

Die situatie kan inderdaad voorkomen. Met betrekking tot de WW voeg ik daaraan nog het volgende toe. De referte-eis houdt in dat iemand die een WW-uitkering aanvraagt ten minste 26 weken gewerkt moet hebben in de 36 weken voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid. Het aantal uren dat gewerkt is in die weken doet voor de referte-eis niet ter zake. Iemand met een klein baantje op basis van een fictieve dienstbetrekking naast het ondernemerschap kan dus ook voldoen aan de referte-eis. Desalniettemin is het mogelijk dat er niet aan de referte-eis wordt voldaan en dat er dus geen recht bestaat op WW-uitkering. Daarbij moet worden aangetekend dat mijn beeld is dat het merendeel van de mensen met een flexibel contract bij ontslag in aanmerking zou komen voor WW. 69% van de mensen met een flexibel contract geeft zelf aan meer dan 6 maanden bij de huidige werkgever te werken. Dit zou betekenen dat zij aan de referte-eis van de WW voldoen. Van de resterende 31% zal een deel WW-recht opgebouwd hebben bij een vorige werkgever, en dus nog steeds in aanmerking komen voor WW.

 

31

De leden van de D66-fractie vragen op welke manier wordt omgegaan met gewerkte uren waarbij geen aanspraak kan worden gemaakt op een andere inkomensverzekering.

Indien een betrokkene niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Tozo en ook niet voor een andere inkomensvoorziening, dan vormt de algemene bijstand op grond van de Participatiewet het laatste vangnet.

 

32

De leden van de D66-fractie vragen welke mogelijkheden er zijn om ondernemers die net over de grens wonen te ondersteunen, aangezien in de Kamerbrief is aangegeven dat er op dit moment nog gekeken wordt naar de positie van zelfstandigen die actief zijn in Nederland, maar net over de grens wonen.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

33

De leden van de D66-fractie vragen of het inderdaad klopt dat de noodmaatregelen in Duitsland en België beiden gericht zijn op zelfstandigen die belasting en premie betalen in die landen, waardoor zelfstandigen die belastingplichtig zijn in Nederland in geen van de landen aanspraak kunnen maken op noodmaatregelen.

De noodmaatregelen die de verschillende lidstaten voor zelfstandigen in het leven hebben geroepen zijn niet identiek. Dit betekent dat de gehanteerde criteria en kenmerken van de voorzieningen per land verschillen.

Om in aanmerking te komen voor een Belgische tijdelijke uitkering moet de zelfstandige een onderneming in België hebben, in België sociaal verzekerd zijn, en in België sociale bijdragen in hoofdberoep hebben betaald aan zijn sociaalverzekeringsfonds. Zelfstandigen met een vestiging in Vlaanderen, die in België sociaal verzekerd zijn, en in België sociale bijdragen in hoofdberoep hebben betaald aan hun sociaalverzekeringsfonds, kunnen aanspraak maken op een eenmalige compensatie als gevolg van gedwongen (tijdelijke) sluiting of lagere omzet. Voor zover bekend, heeft België geen noodhulp in de vorm van bedrijfskredieten ingericht.

Voor noodhulp in de vorm van bedrijfskredieten en/of compensatie voor sluiting of lagere omzet toetst Duitsland onder andere of de zelfstandige bij een Duits belastingkantoor geregistreerd staat. Het is nog niet duidelijk of Duitsland gaat toetsen op vestigingsplaats. Duitsland heeft geen noodhulp in de vorm van een tijdelijke uitkering voor levensonderhoud voor zelfstandigen ingericht.

Dit betekent echter niet dat zelfstandigen die in België of Duitsland wonen maar in Nederland belasting en premies betalen, geen enkele aanspraak op noodmaatregelen kunnen maken. Zelfstandigen die in Nederland belastingplichtig zijn, komen in aanmerking voor de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS), een gift van € 4.000,-, als ze bij de Nederlandse Kamer van Koophandel geregistreerd staan, als ze in een sector werken die als ‘getroffen’ is aangemerkt en als het bedrijf buiten de eigen woning is gevestigd (met uitzondering van horecagelegenheden).

 

34

De leden van de D66-fractie vragen of het mogelijk is om ervoor te zorgen dat deze mensen toch in aanmerking komen voor de Tozo.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

35

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat ook ondernemers met een vennootschap onder firma (vof) aanspraak kunnen maken op de Tozo.

Als zelfstandige wordt niet alleen aangemerkt degene met een eenpersoonsbedrijf of -beroep, maar ook degene wiens positie in economisch opzicht daarmee overeenkomt en die werkzaam is in een samenwerkingsverband of in een rechtspersoon. De zelfstandige die het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent in de vorm van een vennootschap onder firma, kan in aanmerking komen voor algemene bijstand en onder voorwaarden ook voor bijstand in de voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal.

 

36

De leden van de D66-fractie vragen op welke manier wordt omgegaan met directeur-grootaandeelhouders (DGA’s) die ondernemingsvermogen hebben in hun besloten vennootschap (bv) en op welke manier wordt getoetst of een DGA voldoende middelen heeft om zichzelf een salaris uit te keren komende maanden.

De DGA dient evenals andere zelfstandigen te voldoen aan de voorwaarden die in de Tozo worden gesteld. Het ondernemingsvermogen wordt daarbij vrijgelaten in de Tozo. De DGA die een beroep wil doen op de Tozo moet verklaren dat er als gevolg van de coronacrisis inkomensdaling is waardoor zijn/haar inkomen tot onder sociaal bijstandsniveau is gedaald. Specifiek van belang voor de DGA is bovendien dat de DGA moet verklaren dat hij, alleen of samen met andere in de B.V. werkzame personen meer dan 50% van de aandelen heeft. Daarnaast heeft de DGA evenals andere zelfstandigen die gebruik maken van de Tozo de plicht om uit eigen beweging inlichtingen te verstrekken die relevant zijn voor het recht op en de hoogte van de bijstand.

 

37

De leden van de D66-fractie vragen of de voorwaarden voor de lening voor bedrijfskapitaal vanuit de Tozo nader kunnen worden toegelicht. Moet de lening een bepaalde bestemming hebben en kan deze lening ook dienen om een deel van de vaste lasten te voldoen?

De zelfstandige die als gevolg van de coronacrisis wordt geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem, kan een beroep doen op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Een liquiditeitsprobleem is aan de orde als de zelfstandige over onvoldoende geldmiddelen beschikt om aan de financiële verplichtingen verbonden aan diens bedrijf of zelfstandig beroep te voldoen. De aanvrager dient dit aannemelijk te maken en te verklaren. Het betreft een lening van ten hoogste

€ 10.157, met een maximale looptijd van drie jaar, met 2 procent rente. De betaling van aflossing en rente wordt niet eerder verplicht dan 1 januari 2021.

Bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal wordt niet verleend voor zover dat leidt tot een overschrijding van het de-minimisplafond, bedoeld in de algemene de-minimisverordening. Als eerder al staatssteun is verleend zonder dat het de-minimisplafond is bereikt, kan tot aan het plafond verdere steun worden verleend. De staatssteun betreft hier het voordeel dat ontstaat vanwege de lage, niet marktconforme rente, van 2 procent.

 

38

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat de insteek is dat de aanvraag voor de Tozo in alle gemeenten op dezelfde wijze zal gaan plaatsvinden.

Ik begrijp de vraag over overeenkomstige aanvraagprocedures voor de Tozo in alle gemeenten. Voor een antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn antwoorden op de vragen 17, 19 en 20.

 

39

De leden van de D66-fractie vragen of het klopt dat in veel gemeenten op dit moment nog gebruik wordt gemaakt van de reguliere aanvraagformulieren van de Bijstandverlening voor zelfstandigen (Bbz) en of daarbij niet allemaal informatie wordt uitgevraagd die op dit moment niet meer nodig is voor het toekennen van de Tozo.

Ik heb gehoord dat sommige gemeenten in de eerste weken nadat het kabinet de Tozo aankondigde een aanvraagformulier gebruikten dat gebaseerd was op het aanvraagformulier voor het Bbz. In deze aanvraagformulieren werden inderdaad soms gegevens uitgevraagd die niet nodig zijn voor de beoordeling van het recht op de Tozo. Op 1 april 2020 heb ik in samenwerking met VNG en Divosa een modelaanvraagformulier beschikbaar gesteld aan gemeenten. Ik heb gemeenten geadviseerd dit modelaanvraagformulier te gebruiken dan wel het eigen aanvraagformulier aan te passen aan dit modelaanvraagformulier. Ik hoor van verschillende gemeenten dat zij sinds 1 april hun aanvraagformulieren zijn gaan aanpassen. De VNG roept gemeenten ook op geen gegevens meer uit te vragen die niet nodig zijn. Daarbij merk ik op dat ik hoor dat sommige gemeenten bewust wel extra gegevens blijven uitvragen omdat zij het recht op aanvullende voorzieningen, zoals woonkostentoeslag, vast willen stellen. Deze gegevens hebben geen invloed op het vaststellen van het recht op de Tozo.

 

40

De leden van de D66-fractie vragen wat de reden is dat er door gemeenten ook wordt gevraagd naar het inkomen van de partner en vermogen, gezien het feit dat dit niet meer van invloed is op de uitkering.

Op 1 april 2020 heb ik een modelaanvraagformulier gepubliceerd dat duidelijkheid schept voor gemeenten over welke vragen zij moeten stellen in hun aanvraagformulier en welke bewijsstukken zij moeten opvragen om het recht op de Tozo vast te stellen. In het modelaanvraagformulier is voor de aanvraag uitkering levensonderhoud geen vraag opgenomen over het vermogen van de ondernemer. Voor een aanvraag lening bedrijfskrediet wordt de ondernemer wel geacht om inzicht te geven in zijn of haar vermogen. Ik vind het namelijk belangrijk dat de ondernemer aannemelijk maakt dat de onderneming een liquiditeitsprobleem heeft. Het ontbreken van de vermogenstoets geldt alleen voor de aanvraag uitkering levensonderhoud. In het modelaanvraagformulier wordt tevens gevraagd naar partnergegevens, omdat deze nodig zijn om vast te stellen of een ondernemer recht heeft op de norm voor alleenstaanden of de partnernorm. Het inkomen van de partner wordt niet uitgevraagd in het modelaanvraagformulier, omdat het inkomen van de partner niet meetelt bij het vaststellen van de hoogte van de aanvulling van de uitkering levensonderhoud.

 

41

De leden van de D66-fractie vragen wat de reden is dat er jaarcijfers moeten worden aangeleverd, in een aantal gemeenten over de laatste drie jaar.

Voor de Tozo is het geen vereiste om jaarcijfers aan te leveren. De laatste jaarcijfers kunnen wel gebruikt worden bij het aantonen dat de financiële problemen als gevolg van de coronacrisis zijn ontstaan en/of om de behoefte aan bedrijfskapitaal te onderbouwen.

 

42

De leden van de D66-fractie vragen of de aanvragen allemaal digitaal worden afgehandeld of dat in sommige gevallen toch een fysieke afspraak wordt gemaakt om de aanvraag af te ronden.

Samen met de VNG en Divosa adviseer ik gemeenten om de aanvragen zoveel mogelijk digitaal in te nemen omdat dat bijdraagt aan een efficiënt werkproces. Ik weet dat sommige gemeenten ervoor kiezen om een aanvraagformulier handmatig in te laten vullen door de ondernemer en via mail of post in te dienen. Het aangeboden modelaanvraagformulier, de handreiking Tozo en de modelbeschikkingen en –brieven zijn er allemaal op gericht dat de gemeente geen fysieke afspraak hoeft te maken met de ondernemer. Ik adviseer gemeenten om dit niet van ondernemers te vragen, aangezien het niet nodig is op basis van de regeling en het niet past bij de door het kabinet genomen maatregelen tegen het coronavirus.

 

43

De leden van de D66-fractie vragen op basis van welke verdeelsleutel het voorschot voor de uitvoering van de Tozo-regeling aan gemeenten is verstrekt.

De gehanteerde verdeelsleutel is het aantal zelfstandigen per gemeente. De definitie van deze verdeelsleutel is: een persoon wiens voornaamste inkomen voortkomt uit arbeid voor eigen rekening of risico: in een eigen bedrijf of praktijk (zelfstandig ondernemer), of als directeur-grootaandeelhouder (dga), of in het bedrijf of de praktijk van een gezinslid (meewerkend gezinslid), of als overige zelfstandige (bijvoorbeeld in een zelfstandig uitgeoefend beroep).

 

44

De leden van de D66-fractie vragen wat de huidige verwachting is van het aantal aanvragen voor de Tozo-regeling en of de eerste cijfers van de monitoring al beschikbaar zijn.

We verwachten dat het aantal toekenningen voor levensonderhoud op gaat lopen tot 300.000 en dat het aantal toekenningen voor bedrijfskapitaal op gaat lopen tot 200.000. Samen met een aantal gemeenten monitort SZW de ontwikkeling van het aantal aanvragen. We streven naar een wekelijkse actualisatie op basis waarvan we een landelijk beeld kunnen geven. We hebben de eerste cijfers van een aantal gemeenten ontvangen, maar we zijn nog aan het werk om de geografische spreiding te verbeteren.

Indien het percentage zelfstandigen dat een beroep doet op de Tozo-regeling binnen de gemeenten die wij in beeld hebben (totaal 133) indicatief is voor alle gemeenten, staat het landelijke totaal op dit moment op ongeveer 240.000 aanvragen (aanvragen voor ondersteuning levensonderhoud of lening bedrijfskapitaal). We werken hierbij verder aan een nog betere indicatie voor het landelijke beeld.

 

45

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of mensen die korter dan vijf jaar legaal en onafgebroken in Nederland zijn, gebruik kunnen maken van de Tozo-regeling zonder dat dit mogelijk negatieve gevolgen heeft voor hun verblijfsrecht.

In Nederland rechtmatig verblijvende personen kunnen als zij aan de criteria van de regeling voldoen, aanspraak maken op de Tozo-regeling, WW of algemene bijstand. Van personen met een verblijfsvergunning die aanspraak maken op de Tozo-regeling hoeft door de gemeente geen melding te worden gemaakt bij de IND. Het aanvragen van algemene bijstand kan gevolgen hebben voor de verblijfstatus, zowel voor mensen met een verblijfsvergunning als voor EU-burgers. De IND hanteert coulance ten aanzien van personen van wie de verblijfsvergunning afloopt (en door wie geen verlenging wordt aangevraagd) en voor EU-burgers die tijdelijk vanwege de huidige situatie niet terug kunnen naar het land van herkomst. Dit betekent dat de periode van ’overstay’ personen niet wordt aangerekend bij een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning of visum of bij het uitreizen naar het land van herkomst na de coronacrisis. Personen zonder geldige verblijfstatus kunnen geen beroep doen op algemene bijstand.

 

46

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of ik bereid ben om voor mensen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, een uitkering op grond van de Tozo-regeling bij wijze van uitzondering wél als zelfstandig middel van bestaan aan te merken, zodat dit geen bedreiging vormt voor de eventuele verlenging van de verblijfsvergunning.

 

Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 45. Daarmee hoeft de Tozo-regeling niet bij wijze van uitzondering als zelfstandig middel van bestaan te worden aangemerkt.

 

47

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of ik nader kan toelichten welke opties worden overwogen voor zelfstandigen die een Nederlands bedrijf hebben, maar in het buitenland wonen, of andersom.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

48

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of wordt nagedacht over een landelijk loket waar deze zelfstandigen terecht kunnen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

49

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of daarbij ook wordt gekeken naar de groep die mogelijk geen aanspraak kan maken op sociale bijstand in het buitenland, omdat zij nog maar kort daar wonen (in België is er bijvoorbeeld pas recht op bijstand na vijf jaar verblijf).

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

50

De leden van de GroenLinks-fractie vragen wat ik kan doen voor deze groep werkenden die deels in loondienst en deels als zelfstandige werken en die, vanwege het urencriterium geen aanspraak kan maken op de Tozo, maar ook niet genoeg hebben aan de loondoorbetaling (als dat al gebeurt).

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de vragen 6 en 22.

 

51

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of ik nader kan toelichten waarom is gekozen voor een urencriterium.

Het urencriterium brengt tot uitdrukking dat de uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep een reëel karakter dient te hebben, met een substantieel tijdsbeslag. Het urencriterium betekent dat een ieder die in aanmerking wil komen voor een Tozo-uitkering ten minste 1.225 uur per jaar (ofwel gemiddeld 23,5 uur per week) werkzaam moet zijn geweest ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep. Wie niet aan het urencriterium voldoet, is geen zelfstandige naar de definitie in de Tozo, en is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en kan bij een inkomen onder de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm eventueel een beroep doen op bijstand op grond van de Participatiewet.

 

52 De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er ook wordt nagedacht over verruiming van de eisen in de reguliere bijstand.

 

Ik hecht er allereerst aan te benadrukken dat de Tozo zich expliciet onderscheidt van de reguliere bijstand. De Tozo betreft een (zeer) tijdelijke noodmaatregel die erop is gericht om de door de coronacrisis zwaarst getroffen doelgroep snel en adequaat te ondersteunen. Het belang van de regeling is niet enkel gelegen in het bieden van inkomenszekerheid van de zelfstandige tot aan het sociaal minimum, maar tevens in het ondervangen van liquiditeitsproblemen van de onderneming. Beoogd wordt dat zoveel mogelijk zelfstandigen – na afloop van de coronacrisis – hun bedrijf kunnen voortzetten. De reguliere bijstand, op grond van de Participatiewet, vormt het sluitstuk van onze sociale zekerheid. Het garandeert - waar nodig - voor eenieder een adequaat vangnet, op het niveau van het sociaal minimum. De vraag of iemand over de middelen beschikt om in de ‘noodzakelijke kosten van het bestaan’ te kunnen voorzien staat daarbij centraal. Verruiming van de (toegangs-) eisen die de Participatiewet aan het bijstandsrecht verbindt, is in strijd met het vangnetkarakter van de wet en acht ik in dat licht onwenselijk.

53 De leden van de GroenLinks-fractie vragen wanneer een dergelijke verruiming gerechtvaardigd is.

Het toepassen van een dergelijke verruiming bij de reguliere bijstand tast de fundamenten van de Participatiewet aan. Ik vind dit niet gerechtvaardigd. De Participatiewet vormt in zijn huidige vorm een adequaat sociaal vangnet.

 

54

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe er nu wordt omgegaan met de sollicitatieplicht in de Participatiewet en of de colleges de mogelijkheid hebben om hier flexibel mee om te gaan. In iedere crisis nemen de baankansen voor alle werkzoekenden af, dus ook voor mensen met een bijstandsuitkering. In sommige bedrijven is echter wel degelijk nog vraag naar personeel. Zowel nu als na afloop van de coronacrisis. Uiteraard worden sollicitatieprocedures nu ook aangepast, zodat men zich kan houden aan de coronamaatregelen, bijvoorbeeld een sollicitatiegesprek via een beeldverbinding. In dit verband is het van belang dat de colleges binnen de kaders van de Participatiewet uitdrukkelijk de ruimte hebben om de in de Participatiewet omschreven algemene verplichting tot arbeidsinschakeling af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Het is daarom niet nodig en bovendien niet wenselijk om de verplichtingen ten aanzien van de arbeidsinschakeling categoriaal voor alle bijstandsgerechtigden tijdelijk op te schorten.

 

55

De leden van de fractie van Groen Links vragen hoe er nu wordt omgegaan met de kostendelersnorm en of gemeenten de mogelijkheid hebben om hier flexibel mee om te gaan.

Het behoort nu al tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de gemeente om al dan niet in specifieke situaties een uitzondering te maken en de kostendelersnorm niet van toepassing te verklaren. Hierbij gaat het uitdrukkelijk om mensen in een crisissituatie, daklozen of mensen die dakloos dreigen te raken. De gemeente dient vast te stellen dat het gaat om tijdelijk verblijf. Het is daarom niet nodig om de kostendelersnorm aan te passen gedurende de coronacrisis.

 

56

De leden van de SP-fractie vragen wanneer zij de aanpassingen in de TOGS tegemoet kunnen zien.

Op 7 april jl. heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over nieuwe sectoren die aanspraak maken op de TOGS. De Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland streeft ernaar om aanvragen van aanvullende sectoren vanaf woensdag 15 april 2020 mogelijk te maken.

 

57

De leden van de SP-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat er ditmaal een niet uit te leggen onderscheid komt tussen de ene beroepsgroep en de andere, terwijl zij beiden getroffen zijn door deze crisis en de door de staatssecretaris overigens terecht genomen maatregelen.

Bij de samenstelling van de lijst van sectoren die voor de TOGS-regeling in aanmerking komen heeft het Kabinet zich in eerste instantie gericht op de sectoren die het hardst direct getroffen worden door de kabinetsmaatregelen ter bestrijding van COVID-19, zoals kappers en drink- en eetgelegenheden. Naast deze doelgroep worden meer sectoren direct of indirect getroffen door (nieuwe) gezondheidsmaatregelen van de rijksoverheid en lokale overheden. Dit heeft geleid tot de toevoeging van nieuwe sectoren op 28 maart jl. en 7 april jl.

 

58

De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten nu echt aan de slag kunnen en op wat voor termijn ondernemers en zzp’ers hun geld (voorschot) tegemoet kunnen zien.

 

Ik deel het belang van een vlotte start van de uitvoering van de Tozo. Daarom heb ik direct contact met VNG, Divosa en gemeenten opgenomen en zijn we in afstemming met elkaar gestart de regeling vorm te geven en de uitvoering hierop in te richten. Na de aankondiging van de Tozo is een aantal gemeenten gestart met het verstrekken van voorschotten. Woensdag 1 april is het model aanvraagformulier gedeeld en donderdag 2 april is de handreiking beschikbaar gesteld. Tezamen met de brief aan uw Kamer van 27 maart jl. zijn daarmee de hoofdlijnen van de Tozo duidelijk en kunnen alle gemeenten voorschotten verstrekken op de algemene bijstand in lijn met de voorwaarden van de regeling. De zelfstandigen dienen in ieder geval binnen vier weken een voorschot te krijgen.

 

59 en 61

De leden van de SP-fractie vragen waarom gekozen is voor het urencriterium van 1.225 uur per jaar, 24 uur per week.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 51.

 

60

De leden van de SP-fractie vragen of ik de vrees deel dat dit tot een grote groep zzp’ers gaat leiden die buiten de boot vallen en alsnog in de problemen komen.

 

Het is evident dat mensen door de coronacrisis in de problemen kunnen komen. Hoewel getracht wordt dat zoveel als mogelijk te voorkomen door een breed pakket van maatregelen, kan niet worden uitgesloten dat zelfs bij hulp via de Tozo faillissementen aan de orde kunnen zijn. Mensen die financiële problemen hebben maar niet in aanmerking komen voor Tozo, kunnen, afhankelijk van de individuele omstandigheden, mogelijk een beroep doen op algemene bijstand op grond van de Participatiewet.

 

62

De leden van de SP-fractie vragen waarom ik van mening ben dat deze mensen geen recht op ondersteuning hebben, terwijl zij evenzeer door deze crisis getroffen worden.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de vragen 6, 9 en 51.

 

63

De leden van de SP-fractie vragen zich hoe dit met het urencriterium verhoudt tot de “20% omzetverlies” als criterium voor de werktijdverkortingsregeling.

In het kader van de Tozo is niet omzetverlies een criterium, maar een financieel probleem bij de zelfstandige als gevolg van coronacrisis. De zelfstandige van wie het inkomen als gevolg van de coronacrisis is gedaald tot onder het sociaal minimum kan een beroep doen op bijstand voor levensonderhoud. De zelfstandige die als gevolg van de coronacrisis wordt geconfronteerd met een liquiditeitsprobleem, kan een beroep doen op bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Om snelle uitvoerbaarheid mogelijk te maken is voor zover mogelijk aangesloten bij bestaande systemen, zoals in dit geval de Bbz.

 

64

De leden van de SP-fractie vragen of ik ook een lager aantal uren heb overwogen, bijvoorbeeld twaalf uur.

Een lager aantal uren doet afbreuk aan het beginsel dat de uitoefening van het bedrijf of beroep een reëel karakter met een substantieel tijdsbeslag dient te hebben. Om die reden heb ik een lager aantal uren niet overwogen.

 

65

De leden van de SP-fractie vragen om een overzicht met daarin hoeveel zzp’ers werken voor acht, twaalf, zestien, twintig of vierentwintig uur. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal zelfstandigen met en zonder personeel naar arbeidsduur op basis van de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA) uitgevoerd door TNO en CBS in 2019.

 

Arbeidsduur in uren per week

 

Aantal

%

Minder dan 8 uur

73.990

7%

9 tot 12 uur

41.125

4%

13 tot 16 uur

24.213

2%

17 tot 20 uur

51.103

5%

21 tot 24 uur

32.198

3%

Meer dan 25 uur

871.870

80%

Totaal*

1.094.499

100%

 

* Het totaal aantal wijkt af van de totale zelfstandigen in Nederland, want 7% van de respondenten heeft de vraag over arbeidsduur niet beantwoord.

 

66

De leden van de SP-fractie vragen naar de extra kosten van de regeling bij een lager urencriterium.

 

Er zijn geen volledige data beschikbaar over het aantal uren dat zelfstandigen in hun onderneming werken. CBS heeft alleen gegevens over het aantal uren dat zelfstandigen werken indien hun voornaamste inkomen uit de onderneming komt. Op basis van deze gegevens is een grove inschatting gemaakt dat het ruim € 600 miljoen zou kosten om het urencriterium te laten vervallen. Er is dan geen rekening gehouden met zelfstandigen waarvan het voornaamste inkomen niet uit hun onderneming komt. Extra instroom van deze groep gaat gepaard met budgettaire gevolgen, bovenop de eerdergenoemde € 600 miljoen.

 

67

De leden van de SP-fractie vragen of ik bereid ben om de regeling ruimhartig toe te passen en ook parttime zzp’ers tegemoet te komen.

 

Om in aanmerking te kunnen komen voor een uitkering op grond van de Tozo geldt dat moet zijn voldaan aan het criterium dat de zelfstandige ten minste 1.225 uur per jaar (ofwel gemiddeld 23,5 uur per week) ten behoeve van het bedrijf of zelfstandig beroep werkzaam moet zijn geweest. Ik vind dat geen onredelijk hoge eis. Door dit criterium te hanteren kunnen veel parttime zzp’ers al in aanmerking komen voor de regeling.

 

De Tozo-regeling op zich is al ruimhartig. In het bijzonder omdat gebruikelijke toetsen met betrekking tot vermogen, inkomen partner en kostendelersnorm achterwege blijven. Onder verwijzing naar de beantwoording van vraag 64 is er geen aanleiding om ook het urencriterium ruimhartig toe te passen, nog afgezien van de omstandigheden dat een dergelijke ruimhartigheid de uitvoering kan compliceren en willekeur in de hand kan werken.

 

68

De leden van de SP-fractie vragen waarom de regeling uitsluitend geldt voor ondernemers en zzp’ers die in Nederland woonachtig zijn en waarvan het bedrijf in Nederland is gevestigd.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

69

De leden van de SP-fractie vragen of ik nu maatregelen wil treffen voor de groep zelfstandigen in grenssituaties en niet afwachten wat andere landen doen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

70

De leden van de SP-fractie vragen waarom ik ervoor heb gekozen om het inkomen van zzp’ers slechts aan te vullen tot bijstandsniveau.

 

Om een snelle, werkbare en adequate regeling te realiseren is aangesloten bij de Participatiewet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Hieruit volgt onder meer de toepassing van de bijstandsnormen als bedoeld in artikelen 20, 21 en 24 van de Participatiewet. Zoals vermeld bij de beantwoording van vraag 27, vindt de vormgeving van de Tozo plaats op grond van artikel 78f van de Participatiewet. Daarbij kunnen afwijkende bepalingen worden opgenomen, maar niet van de bedoelde artikelen 20, 21 en 24 van de Participatiewet.

 

Overigens deel ik niet de opvatting dat sprake is van “slechts” een aanvulling op bijstandsniveau. Met gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheden wordt geregeld dat geen toetsen plaatsvinden op vermogen, inkomen van de partner en kostendelers. Het gezinsinkomen kan hierdoor feitelijk boven bijstandsniveau liggen. En naast levensonderhoud kan de betrokkene onder gunstige voorwaarden in aanmerking komen voor een lening voor bedrijfskapitaal.

 

Op deze manier worden zelfstandig ondernemers ondersteund om deze moeilijke tijden door te komen en hun onderneming zo veel mogelijk voort te kunnen zetten. Daarbij is ook relevant dat de Tozo onderdeel is van een breed pakket aan maatregelen. Zelfstandig ondernemers kunnen ook in aanmerking komen voor andere onderdelen van dit pakket.

 

71

De leden van de SP-fractie vragen naar een verklaring voor de ruimhartige steun enerzijds voor de veelal grote bedrijven via de NOW en de beperkte steun aan zzp’ers door hen slechts te compenseren tot aan het bestaansminimum. Daarnaast vragen deze leden wat de extra kosten zouden zijn van de regeling indien zzp’ers tot aan het minimumloon worden gecompenseerd.

 

Het kabinet doet er alles aan om bedrijven en banen overeind te houden. Bedrijven ontvangen via de NOW een tegemoetkoming in de loonkosten die uitsluitend ten goede komt aan werknemers, en die bedoeld is om ontslagen te voorkomen. Bedrijven dragen hier bovendien zelf ook aan bij (10%). Dat er verschillen bestaan tussen de regelingen voor werknemers en zelfstandigen, komt doordat werknemers verzekerd zijn tegen werkloosheid en daar ook premie voor afdragen (WW), dit in tegenstelling tot zelfstandigen. Daarom heeft het kabinet een vangnet gemaakt om zelfstandigen die onder het sociaal minimum komen te zitten te ondersteunen. Bij deze regeling geldt geen vermogens- en partnertoets, in tegenstelling tot de reguliere bijstand voor zelfstandigen. De regeling vindt zijn juridische grondslag in de Participatiewet. Dat betekent dat niet zomaar afgeweken kan worden van de geldende bijstandsnormen. Indien zelfstandigen tot aan het minimumloon zouden worden gecompenseerd zou het, volgens de huidige inzichten om extra uitgaven van grofweg 250 miljoen euro kunnen gaan voor een periode van 3 maanden. Deze inschatting is sterk afhankelijk van het aantal mensen dat een beroep op de Tozo kan doen.

Zoals in andere antwoorden is aangegeven is het mogelijk dat zelfstandig ondernemers op meerdere regelingen uit het brede pakket van maatregelen een beroep kunnen doen.

 

72

De leden van de SP-fractie vragen waarom ik de peildatum waarop de aanvrager werkzaam moest zijn als zelfstandige niet meteen op 17 maart heb gesteld en eerst veel zzp’ers die na 1 januari 2020 zijn gestart schrik heb aangejaagd.

Dit is een kwestie van voortschrijdend inzicht, gebaseerd op signalen van gemeenten en (vertegenwoordigers van) ondernemers. Waar het aanvankelijk voor de hand liggend leek om 1 januari 2020 als peildatum aan te houden, is bij nader inzien gekozen voor 17 maart 2020.

 

73

De leden van de SP-fractie vragen of ik erken dat jongeren op deze manier aan de willekeur van gemeenten zijn overgeleverd.

 

Ik heb gemeenten de ruimte gegeven om in de periode 1 maart tot 1 juni 2020 af te wijken van regels rond de verplichte zoektermijn van vier weken. Daardoor kunnen zij individueel maatwerk toepassen bij het hanteren van de vier weken zoektermijn.

 

Financiële problemen bij jongeren die plotseling zonder werk en inkomsten komen te zitten als gevolg van de coronacrisis kunnen daarmee voorkomen worden omdat bijstandstoekenning direct mogelijk is. In sommige bedrijven is echter wel degelijk nog vraag naar personeel en ook het onderwijs is niet volledig stilgevallen. Het landelijk loslaten van de vier weken termijn is dan ook niet aan de orde. Ik vertrouw erop dat de colleges een zorgvuldige afweging maken die recht doet aan de lokale omstandigheden en de situatie waarin de jongere verkeert.

 

74

De leden van de SP-fractie vragen of ik bereid ben de zoektermijn van vier weken die geldt voor jongeren tot 27 jaar alvorens zij een aanvraag voor bijstand kunnen doen landelijk op te heffen.

Ik verwijs hiervoor naar het voorgaande antwoord.

 

75

De leden van de SP-fractie vragen of ik bereid ben om de tegenprestatie op te schorten omdat het in tijden van corona weinig realistisch is om deze nog toe te passen.

 

De coronamaatregelen leggen ook restricties op aan de tegenprestatie die nu aan belanghebbenden gevraagd kunnen worden. Ik vraag van gemeenten niet het onmogelijke. Maar er zijn ook vormen van tegenprestatie die nog wel goed uitgevoerd kunnen worden. Ik vertrouw in deze moeilijke tijden dat de colleges hierin de goede afwegingen maken.

 

76

De leden van de SP-fractie vragen wat de ik ervan vind dat iemand wordt gekort op zijn of haar uitkering omdat er geen tegenprestatie wordt geleverd, terwijl deze helemaal niet voorhanden is.

 

Zoals in antwoord 75 aangegeven, leggen de coronamaatregelen restricties op aan de tegenprestatie die nu aan belanghebbenden gevraagd kunnen worden. Maar er zijn ook vormen van tegenprestatie die nog wel goed uitgevoerd kunnen worden. Ik vertrouw in deze moeilijke tijden dat de colleges hierin de goede afwegingen maken. Dit geldt in dit verband ook ten aanzien van het al dan niet opleggen van maatregelen.

 

77

De leden van de SP-fractie vragen of overwogen is om de partner- en vermogenstoets voor een bredere doelgroep te schrappen.

 

De Tozo betreft een (zeer) tijdelijke noodmaatregel die erop is gericht om de door coronacrisis zwaarst getroffen doelgroep snel en adequaat te ondersteunen. Het belang van de regeling is niet enkel gelegen in het bieden van inkomenszekerheid van de zelfstandige, maar tevens in het ondervangen van liquiditeitsproblemen van de onderneming.

 

Beoogd wordt dat zoveel mogelijk zelfstandigen – na afloop van de coronacrisis – hun bedrijf kunnen voortzetten.

 

De reguliere bijstand, op grond van de Participatiewet, vormt het sluitstuk van onze sociale zekerheid. Het garandeert - waar nodig - voor eenieder een adequaat vangnet, op het niveau van het sociaal minimum. De vraag of iemand over de middelen beschikt om in de ‘noodzakelijke kosten van het bestaan’ te kunnen voorzien staat daarbij centraal. Verruiming van de (toegangs-) eisen die de Participatiewet aan het bijstandsrecht verbindt, is in strijd met het vangnetkarakter van de wet en acht ik in dat licht onwenselijk.

 

78 De leden van de SP-fractie vragen of er ook mogelijkheden zijn om mensen die vanuit de Ziektewet of vanuit de WW de bijstand instromen gedurende de coronacrisis, te ontheffen van de partner- en vermogenstoets.

 

In dit verband moet benadrukt worden dat de baankansen voor de personen die vanuit de Ziektewet of de WW doorstromen naar de bijstand, niet anders zijn dan de baankansen voor de personen die momenteel al bijstand ontvangen. Ik zie dan ook geen aanleiding om de toegangseisen voor specifiek deze groep te verruimen. Een verruiming voor de gehele bijstandspopulatie leidt tot een grootschalige uitbreiding van de kring van rechthebbenden. Dit is onwenselijk. Bovendien is dit in strijd met het vangnetprincipe van de Participatiewet.

 

79

De leden van de fractie van de SP vragen of is overwogen om de kostendelersnorm voor de hele participatie-doelgroep te schrappen gedurende de coronacrisis en zo nee, waarom niet.

 

Bij de vormgeving van Tozo is vanwege de uitzonderlijke omstandigheden gekozen voor het tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm op grond van de artikelen 19a en 22a van de Participatiewet. Alleen zo kunnen gemeenten in staat worden gesteld om het inmiddels al ongekend hoge aantal aanvragen snel en efficiënt af te handelen. Het is niet nodig om de kostendelersnorm generiek te schrappen voor de gehele ‘participatie-doelgroep’ gedurende de coronacrisis. Het behoort nu al tot de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid van de gemeente om al dan niet in specifieke situaties een uitzondering te maken en de kostendelersnorm niet van toepassing te verklaren. Hierbij gaat het uitdrukkelijk om mensen in een crisissituatie, daklozen of mensen die dakloos dreigen te raken. De gemeente dient vast te stellen dat het gaat om tijdelijk verblijf.

 

80

De leden van de fractie van de SP vragen of er anders geen sprake is van rechtsongelijkheid tussen de mensen die nu wel ontheven worden van de kostendelersnorm en zij die dat niet worden.

Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 79.

 

81

De leden van de SP-fractie vragen wat het kost per jaar om de totale kostendelersnorm te schrappen.

In 2019 waren er ongeveer 55.000 huishoudens waarbij de kostendelersnorm van toepassing was. Op basis van realisatiegegevens over 2019 zouden de budgettaire gevolgen van het afschaffen van de kostendelersnorm op ruim € 325 miljoen komen.

 

82

De leden van de SP-fractie vragen of ik inzicht heb in het aantal mensen dat vanwege persoonlijke omstandigheden door gemeenten wordt vrijgesteld van de kostendelersnorm.

 

In opdracht van het ministerie van SZW heeft het CBS in 2017 een kwalitatief onderzoek uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de mate waarin gemeenten maatwerk leveren bij het toepassen van de kostendelersnorm en om na te gaan of hierover kwantitatieve gegevens zouden kunnen worden verzameld door het CBS. Gegevens over het toepassen van maatwerk in het kader van de kostendelersnorm worden zelden vastgelegd in het gemeentelijke registratiesysteem. Daardoor is het niet mogelijk om deze informatie op te nemen in de Bijstandsuitkeringenstatistiek. Ook ligt het niet voor de hand om middels een extra uitvraag informatie te verzamelen, omdat daarvoor dossiers handmatig doorgenomen zouden moeten worden en gemeenten betwijfelen of dat betrouwbare informatie zou opleveren.

 

83 en 85

 

De leden van de SP-fractie vragen aandacht voor mensen uit de doelgroep banenafspraak die werken op basis van een tijdelijke baan of via een proefplaatsing. Zij zouden in dienst moeten worden gehouden met de bijbehorende ondersteuning. Deze leden willen weten hoe ik hieraan vorm geef.

 

Ook willen de leden weten wat ik ga doen om te borgen dat mensen met een arbeidsbeperking die op een tijdelijk contract werken, hun baan niet verliezen.

 

Op 31 maart is de Kamer geïnformeerd over de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW). Bij de aanvraag voor de NOW committeert de werkgever zich vooraf aan de verplichting géén ontslag op grond van bedrijfseconomische redenen aan te vragen voor zijn werknemers gedurende de periode waarover de tegemoetkoming ontvangen wordt. Werkgevers betalen het loon aan betrokken werknemers volledig door. De regeling voorziet in ondersteuning in de vorm van tegemoetkoming in de loonkosten van vaste werknemers en werknemers met een flexibel contract, voor zover zij in dienst blijven gedurende de aanvraagperiode. Werkgevers kunnen dus ook werknemers met flexibele contracten met behulp van de tegemoetkoming in de loonkosten in dienst houden. Het kabinet roept werkgevers dan ook op om werknemers zoveel mogelijk in dienst te houden voor de uren die zij werkten. De NOW is dus ook van toepassing op de mensen uit de doelgroep banenafspraak die vaak met loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet op een baan voor de banenafspraak werken. Ook zij worden door de NOW beschermd. Ik heb gemeenten gevraagd de loonkostensubsidie door te laten lopen. Dit met het oog op het belang van baanbehoud in deze bijzondere situatie. Vanwege uitvoeringstechnische bezwaren tegen verrekening (via verlaging van de loonkostensubsidie met NOW) wordt dubbele financiering vanwege de huidige bijzondere omstandigheden geaccepteerd.

 

Verder is het van belang te vermelden dat werkgevers, als zij gebruik maken van de NOW, aanspraak houden op de extra voorzieningen die samenhangen met de indienstneming van mensen uit de doelgroep banenafspraak, zoals de no-riskpolis en het loonkostenvoordeel banenafspraak. Het is vanwege de mogelijke extra kwetsbare positie van deze werknemers belangrijk dat de ondersteunende maatregelen, bijvoorbeeld van een jobcoach, ook in deze periode door kunnen blijven lopen. Mensen met een arbeidsbeperking kunnen bij UWV en gemeenten een beroep blijven doen op de begeleiding en ondersteuning die zij hebben. Dit gebeurt op basis van de huidige wet- en regelgeving. Als ervoor de begeleiding meer uren voor ondersteuning nodig zijn, dan is dat in overleg met gemeente of UWV mogelijk.

 

84

De leden van de SP-fractie vragen op welke wijze kan worden gemonitord hoeveel mensen met een arbeidsbeperking hun baan verliezen tijdens de coronacrisis.

 

UWV publiceert elk kwartaal de trendrapportages banenafspraak. Deze trendrapportages monitoren per kwartaal hoeveel mensen uit de doelgroep banenafspraak een baan vinden of verliezen. De trendrapportage over het eerste kwartaal van 2020, met als meetmoment eind maart 2020, verschijnt in juli 2020. De eerste impact van de coronacrises zal zichtbaar zijn in deze trendrapportage.

 

86

Mensen met een arbeidshandicap en een urenbeperking worden hard getroffen door de coronacrisis, maar zij worden niet gecompenseerd indien zij door hun beperking minder dan 24 uur werken als zzp’er, zo stellen de leden van de SP-fractie. Deze leden vragen of ik bereid ben een uitzondering op het urencriterium te maken voor ten minste mensen met een arbeidsbeperking.

 

Over het algemeen beschikken ondernemers met een arbeidshandicap en een urenbeperking naast hun inkomen uit zelfstandige arbeid over een aanvullende uitkering vanuit de WAO, WIA of Wajong. Op dit moment onderzoek ik de noodzaak en mogelijkheden om deze ondernemers financieel te ondersteunen. Ik zal de Kamer op een later moment informeren over mijn besluit hierover.

 

87, 88, 89 en 90

 

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik bekend was met het feit dat platformwerkers bij bijvoorbeeld Temper, Deliveroo, UberEATS, maar ook thuiszorgmedewerkers die werken via platforms (alfa-constructie nieuwe stijl) niet voldoen aan het urencriterium. Deze leden vragen ook of ik ermee bekend was dat voornoemde platformbedrijven hun platformwerkers bewust ontraden om zich niet in te schrijven bij de KvK bij de eerste tien opdrachten. Daarnaast vragen deze leden of ik de mening deel dat deze platformwerkers, zeker omdat zij weinig tot geen financiële buffers hebben, ook bescherming verdienen, en op welke manier platformwerkers kunnen worden ondersteund.

 

Ik ben inderdaad bekend met de positie van platformwerkers. Platformwerkers kunnen aanspraak maken op de Tozo indien zij aan de voorwaarden daarvoor voldoen. Een van de voorwaarden is dat zij 1.225 uur bedrijfsmatig actief moeten zijn (gemiddeld circa 23, 5 uur per week). Deze eis komt overeen met de eis uit het Bbz en is bedoeld om het vangnet toe te spitsen op mensen die door verlies van inkomen uit hun bedrijf een substantiële inkomensdaling ervaren. De keuze om waar mogelijk aan te sluiten bij bestaande systemen is gemaakt om ervoor te zorgen dat de regeling snel open kon worden gesteld en dat bedragen snel konden worden uitgekeerd. Platformwerkers die hierdoor niet in aanmerking komen voor de Tozo komen in aanmerking voor reguliere bijstand, indien zij aan de voorwaarden daarvoor voldoen.

 

91

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik bereid ben om deze platformwerkers, ondanks dat zij niet aan het urencriterium of inschrijving KvK voldoen, ook onder de Tozo te laten vallen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 22.

 

92

De leden van de PvdA-fractie vragen of mensen die een hybride en atypische arbeidsrelatie hebben en niet kunnen voldoen aan het urencriterium ook geholpen kunnen worden door de Tozo.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 22.

 

93

De leden van de PvdA-fractie vragen of mensen met een gageverklaring, freelancers die verloond worden via de fictieve dienstbetrekking (de Artiestenregeling), makers met een onregelmatig inkomen vanwege muziek- of filmopnames, waarbij hun inkomen volledig is weggevallen, ook onder de Tozo vallen, en zo niet, op welke manier deze makers kunnen worden ondersteund zodat zij zeker kunnen zijn van een inkomen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 22.

 

94 en 95

De leden van de PvdA-fractie vragen om een uiteenzetting waarom er onderscheid wordt gemaakt tussen een zelfstandige met partner en zonder partner en wat de reden is om aan dit onderscheid vast te houden.

Het onderscheid heeft alleen betrekking op de hoogte van de bijstandsnormen, die voor echtparen zijn afgestemd op 100% van het netto referentieminimumloon en voor alleenstaanden 70% daarvan. Zie ook de beantwoording van vraag 8.

 

96, 97 en 98

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik bekend ben met het feit dat, onder andere Humanitas, al eerder heeft aangegeven dat jongeren hierdoor meer dan 650 euro per maand tekort komen voor bijvoorbeeld de huur en boodschappen. Ook vragen deze leden om welke reden ik denk dat jonge zelfstandigen, die al hun opdrachten zijn kwijtgeraakt, hun huur en boodschappen kunnen betalen met een uitkering van 253 euro. Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie of ik bereid ben om jonge zelfstandigen recht te geven op dezelfde, hogere, uitkering net zoals de rest van de zelfstandigen die gebruik maken van Tozo.

 

De bijstand voor levensonderhoud is een inkomensaanvulling tot de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm. De hoogte van de bijstand is afhankelijk van de leeftijd. Dit betekent dat voor personen van 18 tot 21 jaar lagere jongerennormen gelden. Op grond van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek hebben ouders onderhoudsplicht jegens hun kinderen jonger dan 21 jaar. Om deze reden hoeft de bijstandsnorm voor personen van 18 tot 21 jaar niet volledig de noodzakelijke kosten van bestaan te dekken. Gelet op het vangnetkarakter van de bijstand is het gerechtvaardigd om bij de bepaling van de hoogte van de norm rekening te houden met deze onderhoudsplicht.

 

Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij de jongerennorm in de Participatiewet niet afdoende is om in het levensonderhoud te voorzien omdat het voor jongeren niet mogelijk is de ouderlijke onderhoudsplicht te gelde te maken (bijvoorbeeld omdat er geen ouders in beeld zijn of als de ouders onvoldoende draagkrachtig zijn). De Participatiewet biedt gemeenten dan de mogelijkheid om op basis van maatwerk de norm aan te vullen. Hiermee kan voorzien worden in een inkomen dat voldoende is om van te leven. Deze mogelijkheid in de Participatiewet kunnen gemeenten ook toepassen als jonge ondernemers van 18 tot 21 jaar de onderhoudsplicht van hun ouders niet te gelde kunnen maken.

 

99

De leden van de PvdA-fractie vragen of er sprake is van het meten met twee maten, door de vermogens- en partnertoets voor zelfstandigen bij de Tozo te schrappen, maar deze overeind te houden bij de ‘gewone’ bijstandsgerechtigden.

 

Ik hecht eraan te benadrukken dat de Tozo zich expliciet onderscheidt van de regulier bijstand. De Tozo betreft een (zeer) tijdelijke noodmaatregel die erop is gericht om de door de coronacrisis zwaarst getroffen doelgroep snel en adequaat te ondersteunen. Het belang van de regeling is niet enkel gelegen in het bieden van inkomenszekerheid van de zelfstandige tot aan het sociaal minimum, maar tevens in het ondervangen van liquiditeitsproblemen van de onderneming. Beoogd wordt dat zoveel mogelijk zelfstandigen – na afloop van de coronacrisis – hun bedrijf kunnen voortzetten. Daarnaast heeft het schrappen van de vermogens- en partnertoets te maken van de uitvoerbaarheid van de Tozo op zeer korte termijn.

 

De reguliere bijstand, op grond van de Participatiewet, vormt het sluitstuk van onze sociale zekerheid. Het garandeert - waar nodig - voor eenieder een adequaat vangnet, op het niveau van het sociaal minimum. Het schrappen van de vermogens- en partnertoets bij de reguliere bijstand is in strijd met het vangnetkarakter van de Participatiewet. Dit valt niet te rechtvaardigen.

 

100 en 101

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik van mening ben dat in deze lastige tijd alle kwetsbare mensen dienen te worden beschermd en vragen naar de bereidheid om voor de duur van de tijdelijke overbruggingsregeling ook voor nieuwe instroom in de bijstand de vermogens- en partnertoets te versoepelen, te verruimen of ook te schrappen.

Ik onderschrijf dat in deze lastige tijd zeker kwetsbare mensen bescherming verdienen. Ik wijs er echter ook op dat versoepeling, verruiming of het schrappen van (toegangs-)eisen niet past bij het vangnetprincipe van de Participatiewet. Versoepeling of verruiming van de Participatiewet is ook niet nodig om alle kwetsbare mensen passende bescherming en ondersteuning te kunnen bieden. De bijstand, op grond van de Participatiewet, vormt waar nodig voor eenieder een adequaat sociaal vangnet. Naast de algemene bijstand op het niveau van het sociaal minimum, kent de Participatiewet namelijk ook een wettelijk instrumentarium waarmee gemeenten zo nodig, ongeacht de aard van het inkomen, aanvullende inkomensondersteuning kunnen bieden. Samen met andere inkomensondersteuningen vanuit het rijk, zoals toeslagen, wordt hiermee een toereikend systeem geboden, waarmee burgers – van alle leeftijden - kunnen voorzien in noodzakelijke kosten van het bestaan zodat zij niet onder het sociaal minimum hoeven te leven.

 

102

De leden van de SP-fractie vragen of ik bereid ben om de sollicitatieplicht in de bijstand tijdelijk te schrappen, vanwege de onmogelijkheid om te solliciteren, de daling van het aantal vacatures en de enorme toename van het aantal bijstandsgerechtigden.

 

Zoals ik in het antwoord op vraag 54 van de leden van de GroenLinks heb aangegeven, nemen in iedere crisis de baankansen voor alle werkzoekenden af, dus ook voor mensen met een bijstandsuitkering. In sommige bedrijven is echter wel degelijk nog vraag naar personeel. Zowel nu als na afloop van de coronacrisis. In dit verband is het van belang dat de colleges binnen de kaders van de Participatiewet uitdrukkelijk de ruimte hebben om de in de Participatiewet omschreven algemene verplichting tot arbeidsinschakeling af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Het is daarom niet nodig en bovendien niet wenselijk om de verplichtingen ten aanzien van de arbeidsinschakeling categoriaal voor alle bijstandsgerechtigden tijdelijk te schrappen.

 

103

De leden van de PvdA-fractie vragen of ik zelfstandigen die recent, met behoud van een gedeeltelijke uitkering, vanuit een uitkeringssituatie zijn gestart met hun onderneming, en nu vanwege de coronacrisis geen omzet hebben, de mogelijkheid krijgen om hun onderneming “on hold” te zetten en zodoende te kunnen terugvallen op hun volledige bestaande uitkering.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 21.

 

104

De leden van de PvdA-fractie vragen of uitkeringsinstanties, zoals het UWV, bereid zijn om hieraan mee te werken.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 21.

 

105

De leden van de PvdA-fractie vragen of zelfstandigen die deels een uitkering (AOW, Wet arbeidsongeschiktheid (WAO), Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) of WW) ontvangen ook recht hebben op de Tozo en zo nee, waar kunnen deze zelfstandigen, als zij onder het sociaal minimum zakken, dan terecht?

Voor zelfstandigen met een AOW-uitkering, die dus de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 10 en 11.

Voor de overige groepen geldt dat wanneer zij voldoen aan alle vereisten voor een Tozo-uitkering, een gedeeltelijke uitkering op grond van de WAO, WIA of WW geen juridisch beletsel vormt.

 

106

De leden van de PvdA-fractie vragen naar aanleiding van signalen dat er nog geen eenvoudige en duidelijke regelgeving is of ik de mening deel dat hierdoor gemeenten en zelfstandigen in de knel kunnen komen.

Met de leden van de PvdA-fractie vind ik het van belang te voorkomen dat gemeenten en zelfstandigen in de knel komen. Daarom heb ik vroegtijdig naar gemeenten gecommuniceerd dat zij voorschotten kunnen verstrekken op basis van art 4:95 van de Awb in verwijzing naar artikel 52 van de Participatiewet. Verder heb ik gemeenten laten weten dat zij volledig gecompenseerd zullen worden voor de uitvoering van Tozo. Op 27 maart jl. is er reeds een eerste € 250 miljoen aan gemeenten overgemaakt. Van dit geld kunnen gemeenten voorschotten uitkeren aan de zelfstandigen.

 

107

De leden van de PvdA-fractie vragen wanneer er duidelijkheid over de regelgeving is waarmee de gemeenten aan de slag kunnen.

 

Zoals ook in antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de SP-fractie aangegeven deel ik het belang van een vlotte start van de uitvoering van de Tozo. Daarom heb ik direct contact met VNG, Divosa en gemeenten opgenomen en zijn we in afstemming met elkaar gestart de regeling vorm te geven en de uitvoering hierop in te richten. Na de aankondiging van de Tozo zijn een aantal gemeenten gestart met het verstrekken van voorschotten. Woensdag 1 april is het model aanvraagformulier gedeeld en donderdag 2 april is de handreiking beschikbaar gesteld. Tezamen met de brief aan uw Kamer van 27 maart jl. zijn daarmee de hoofdlijnen van de Tozo duidelijk en kunnen alle gemeenten voorschotten verstrekken in lijn met de voorwaarden van de regeling. De zelfstandigen dienen in ieder geval binnen vier weken een voorschot te krijgen.

 

108

De leden van de CU-fractie vragen welke overige maatregelen – naast Tozo – worden overwogen om ondersteuning te bieden aan zzp’ers die getroffen zijn door de gevolgen van de huidige crisis.

 

Het kabinet heeft al veel maatregelen aangekondigd waar zelfstandigen, waaronder zzp’ers, een beroep op kunnen doen, zoals de Tozo, de TOGS (‘noodloket’ Ministerie van EZK), fiscale maatregelen en ruimere mogelijkheden voor kredietverlening (zie ook antwoord op vraag 7). Het kabinet monitort voortdurend de ontwikkelingen om te bezien of de maatregelen adequaat zijn of zo nodig aanpassing behoeven.

109 en 110

 

De leden van de CU-fractie vragen of er bijvoorbeeld afspraken gemaakt kunnen worden met hypotheekverstrekkers en woningcorporaties over uitstel van hypotheekbetalingen en huur, en of er dergelijke afspraken gemaakt kunnen worden voor vaste lasten.

 

Het kabinet vindt dat we ervoor moeten zorgen dat mensen die het financieel moeilijk hebben niet, als gevolg van de coronacrisis, nog verder in de (financiële) problemen terechtkomen. Tegelijkertijd zijn er mensen en bedrijven die wachten op hun geld. Het is belangrijk om beide posities in ogenschouw te hebben en te houden. Hypotheekverstrekkers, woningcorporaties en andere partijen kunnen rekening houden met financieel kwetsbare mensen door bij het incasseren rekening te houden met de bijzondere en individuele omstandigheden. Ze kunnen ruimhartig omgaan met het treffen van betalingsregelingen – en indien nodig even een pas op te plaats maken – en terughoudend omgaan met de inzet van dwangmaatregelen. Het kabinet roept alle betrokken partijen op om zich coulant op te stellen en begrip en bereidheid te tonen om in deze moeilijke periode gezamenlijk tot een oplossing te komen.

 

111

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om met spoed maatregelen te nemen voor de groep zelfstandigen in grenssituaties, zodat rechtsongelijkheid wordt voorkomen en zzp’ers in de grensregio’s niet tussen wal en schip vallen.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

112

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het loslaten van de woon- en/of vestigingseis in deze specifieke situatie een maatwerkoplossing zou bieden.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1.

 

113

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe ik aankijk tegen situaties waarin mensen tussen wal en schip vallen.

Het kabinet heeft een historisch steunpakket samengesteld dat ervoor zorgt dat zo veel mogelijk mensen hun baan kunnen behouden en zo veel mogelijk bedrijven overeind kunnen blijven. Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn: we gaan niet in staat zijn om elke baan te behouden en elk bedrijf te redden. Deze crisis gaat pijn doen. Het kabinet blijft uiteraard kijken naar de effectiviteit van de maatregelen, en maakt daarbij ook een afweging tussen enerzijds de snelheid en uitvoerbaarheid van de verschillende regelingen en anderzijds de mate waarin in maatwerk kan worden voorzien. In sommige gevallen kan dat betekenen dat regelingen (licht) worden aangepast; in andere gevallen kan het voorkomen dat sommige groepen aanspraak moeten maken op het reguliere sociale vangnet.

 

114

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of gemeenten steeds voldoende bevoorschot worden en via de specifieke uitkering vanuit de Rijksoverheid ruimhartig “gefinancierd” zullen worden zodat zij de regeling goed kunnen uitvoeren.

 

Gemeenten worden volledig financieel gecompenseerd voor het beroep op de Tozo. Gemeenten ontvangen een vergoeding voor 100 procent van de uitgaven voor aanvullende bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. Daarnaast ontvangen de gemeenten een vergoeding voor de uitvoeringskosten afhankelijk van het aantal besluiten op aanvragen. Voor de vergoeding van de uitvoeringskosten geldt een vast bedrag per besluit op een aanvraag. Dit bedrag wordt nog nader vastgesteld. Op de SZW-begroting is in totaal € 3,8 miljard gereserveerd voor de kosten van de Tozo inclusief de uitvoeringskosten. Een eerste voorschot is al aan gemeenten uitgekeerd. Het kabinet monitort het aantal aanvragen en op basis hiervan en de signalen van gemeenten wordt telkens bezien in welke mate verdere bevoorschotting noodzakelijk is.

 

115

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of een spoedige uitkering nu in principe gegarandeerd kan worden om daarmee betalingsproblemen zoveel mogelijk te voorkomen.

 

Zoals ook in antwoord op een vergelijkbare vraag van de leden van de SP-fractie is aangegeven deel ik het belang van een vlotte start van de uitvoering van de Tozo. Daarom heb ik direct contact met VNG, Divosa en gemeenten opgenomen en zijn we in afstemming met elkaar gestart de regeling vorm te geven en de uitvoering hierop in te richten. Na de aankondiging van de Tozo zijn een aantal gemeenten gestart met het verstrekken van voorschotten. Woensdag 1 april is het model aanvraagformulier gedeeld en donderdag 2 april is de handreiking beschikbaar gesteld. Tezamen met de brief aan uw Kamer van 27 maart jl. zijn daarmee de hoofdlijnen van de Tozo duidelijk en kunnen alle gemeenten voorschotten verstrekken in lijn met de voorwaarden van de regeling. De zelfstandigen dienen in ieder geval binnen vier weken een voorschot op de algemene bijstand te krijgen.

 

116

De leden van de 50PLUS-fractrie vragen of gegarandeerd kan worden dat gemeenten de ‘tool-kit’ van de regeling allemaal op dezelfde wijze gebruiken, en dezelfde beknopte en gerichte uitvraag van gegevens doen aan zelfstandig ondernemers die een beroep willen doen op de regeling. Ik begrijp de roep om een uniforme uitvoering van de Tozo. Voor mijn antwoord op deze vraag verwijs ik naar mijn antwoorden op de vragen 17, 19 en 20.

 

117

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of gewaarborgd kan worden dat aanvragers niet geconfronteerd worden met ‘administratieve rompslomp’.

 

Ik heb in samenwerking met Divosa en VNG een modelaanvraagformulier ontwikkeld dat gemeenten kunnen gebruiken bij het behandelen van aanvragen voor de Tozo. Met dit modelaanvraagformulier beoog ik snelle en efficiënte afhandeling van aanvragen door gemeenten, met zo min mogelijk rompslomp. Gemeenten kunnen op onderdelen van de aanvraag afgaan van de verklaring van de ondernemer dat informatie naar waarheid is verstrekt. Het is voor die onderdelen dus niet nodig om onderliggende bewijsstukken op te vragen. Door het werken met een verklaring wordt het voor het college gemakkelijker gemaakt om snel tot bijstandsverlening te kunnen overgaan.

 

Ik verwacht wel van ondernemers dat zij een aanvraag volledig en onderbouwd indienen. Daarbij merk ik op dat de gemeente extra bewijsstukken mag opvragen als zij vermoedens heeft van misbruik van de Tozo of oordeelt dat de ondernemer de noodzaak voor een lening bedrijfskrediet niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

 

118

De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe – afgezien van relatief gunstige leenvoorwaarden – kan worden voorkomen dat de steunmaatregelen van het kabinet, op een later moment toch nog tot veel faillissementen gaan leiden.

 

Het brede pakket aan steunmaatregelen van het kabinet is bedoeld om ondernemers en bedrijven gedurende de coronacrisis te ondersteunen, zodat faillissementen zo veel mogelijk kunnen worden voorkomen, en zodat ondernemers en bedrijven snel weer aan de slag kunnen zodra de contactbeperkingen worden afgeschaald of opgeheven. Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn: we gaan niet in staat zijn om elke baan te behouden en elk bedrijf te redden. Deze crisis gaat pijn doen. Het kabinet blijft uiteraard wel kritisch kijken naar de effectiviteit van de getroffen maatregelen.

 

119

De leden van de 50PLUS-fractie vragen wanneer (op welke momenten), hoe, en op grond van welke criteria een vervolgbesluit genomen zal worden over eventuele verlenging van de regeling.

 

Dat kan ik nu nog niet precies aangeven. Die beoordeling is afhankelijk van verloop crisis en daarmee samenhangende maatregelen. Omdat de aanvraagmogelijkheden voor de huidige regeling per 1 juni 2020 aflopen, is de verwachting gerechtvaardigd dat de beoordeling of verlenging van de regeling gewenst is, en zo ja voor welke termijn, voor die datum zal plaatsvinden. In de Tozo wordt voorzien in de mogelijkheid om verlenging en zo nodig aanpassing van de ondersteuning vanuit de Tozo, te regelen op het niveau van een ministeriële regeling.

 

120

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of dat in principe voor de duur van de coronacrisis zal zijn.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 119.

 

121

De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe reëel de verwachting is dat een vangnet op het niveau van het sociaal minimum zelfstandig ondernemers voldoende inkomens- en bestaanszekerheid zal bieden, en uiteindelijk faillissementen kan voorkomen.

 

Binnen de kaders van artikel 78f van de Participatiewet biedt de Tozo een maximaal mogelijke ondersteuning aan zelfstandigen die als gevolg van coronacrisis financiële problemen kennen. Zoals bij meerdere antwoorden hierboven is aangegeven is de Tozo onderdeel van een breed pakket aan maatregelen waarop een beroep kan worden gedaan. Of dit pakket adequaat is wordt voortdurend bezien.

 

122

De leden van de 50PLUS-fractie vragen welke steun zelfstandig ondernemers kunnen krijgen die (net) niet voldoen aan dit urencriterium, en toch zwaar getroffen worden door de coronacrisis.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 6.

 

123

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of nog een wijziging verwacht kan worden wat betreft het urencriterium.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 9.

 

124

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of hun indruk juist is dat zelfstandig ondernemers die AOW-gerechtigd zijn géén aanspraak lijken te kunnen maken op de Tozo-regeling, óók niet op het lening-deel van de regeling voor de onderneming.

 

Dit klopt. Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 10.

 

125

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik vind dat levensvatbaar zelfstandig ondernemerschap juist nu gekoesterd moet worden, ongeacht de leeftijd van de zelfstandig ondernemer.

 

Ik heb veel waardering voor mensen die het heft in eigen handen nemen en op ondernemende wijze geld (erbij) verdienen, ongeacht hun leeftijd. Dit laat onverlet dat in ons sociaal zekerheidsstelsel voorzieningen zoals de Tozo zich niet uitstrekken tot personen die de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Voor hen is reeds geborgd dat zij van voldoende middelen van bestaan worden voorzien.

 

126

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik de mening deel dat het bij bescherming van zelfstandig ondernemerschap niet mag uitmaken of een ondernemer 65-plusser of 65-minner is.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 125.

 

127

De leden van de 50PLUS-fractie vragen de garantie, dat AOW-gerechtigde zelfstandig ondernemers niet, als gevolg van economische schade door de coronacrisis, met hun inkomen onder het sociaal minimum raken. Dat is immers het doel van deze regeling, dit wordt expliciet gemeld in de brief. Kan die garantie gegeven worden.

Onder verwijzing naar de beantwoording van vraag 11, kan gesteld worden dat die garantie wettelijk is verankerd is in de Participatiewet.

 

128

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik bereid ben zelfstandig ondernemers die AOW-gerechtigd zijn ook toe te laten tot de Tozo.

 

Ik zie daartoe geen aanleiding. Zoals in het antwoord op vraag 125 aangegeven is geborgd dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken.

 

129

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik de mening deel dat dan toegankelijkheid tot de Tozo-lening tegen gunstige voorwaarden nét het verschil kan maken, en beslissend kan zijn voor voortzetting van het zelfstandig ondernemerschap en het behoud van economische activiteit.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 70.

 

130

De leden van de 50PLUS-fractie vragen in te gaat op de kritiek van bijvoorbeeld VNO-NCW, Midden en Kleinbedrijf (MKB) Nederland, Taxichauffeurs en MKB brandstof op de toegankelijkheid en de vormgeving van de Tozo.

De Tozo is een generieke regeling. Er worden geen sectoren of beroepsgroepen uitgesloten. Dus ook genoemde groepen kunnen aanspraak maken op de Tozo, als zij voldoen aan de criteria.

 

131

De leden van de 50PLUS-fractie vragen dit ook voor ondernemers en branches, eenmanszaken en vof-bedrijven die nu buiten de regeling (lijken te) vallen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 130.

 

132

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of nog wordt overwogen zelfstandig ondernemers die nu buiten de regeling (lijken te) vallen, toegang te verlenen of de regeling op dit punt nog verder te verduidelijken en/of aan te passen.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 1 voor wat betreft ‘grenssituaties’. Op dit moment wordt geen verdere uitbreiding overwogen.

 

133

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik ervoor ga zorgen dat zelfstandig ondernemers die tussen wal en schip (dreigen te) raken, zo snel mogelijk horen waar zij terecht kunnen voor steun, om faillissementen te voorkomen.

Voor het antwoord verwijs ik naar het antwoord op vraag 113.

 

134

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ik vind dat alle zelfstandig ondernemers (met of zonder personeel) steun moeten kunnen krijgen als hun economische activiteit zwaar getroffen wordt door de coronacrisis.

Het kabinet vindt dat zelfstandig ondernemers steun moet krijgen nu zij getroffen worden door de coronamaatregelen. Daarom heeft het kabinet een historisch noodpakket opgetuigd, waarin ook een aantal regelingen is opgenomen waar zelfstandig ondernemers een beroep op kunnen doen als dat nodig is (zie ook antwoord 7). Tegelijkertijd moeten we ook eerlijk zijn: we gaan niet in staat zijn om elke baan te behouden en elk bedrijf te redden. Deze crisis gaat pijn doen. Het kabinet blijft uiteraard kijken naar de effectiviteit van de maatregelen, en maakt daarbij ook een afweging tussen enerzijds de snelheid en uitvoerbaarheid van de verschillende regelingen en anderzijds de mate waarin in maatwerk kan worden voorzien.

 

135

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de noodmaatregelen de garantie bieden dat alle zelfstandig ondernemers (met of zonder personeel) steun krijgen als hun economische activiteit zwaar wordt getroffen door de coronacrisis, dan wel of ik daarvoor ga zorgen.

Deze garantie kan het kabinet niet bieden. Zoals eerder is aangegeven is sprake van een breed pakket van maatregelen om ondernemers te ondersteunen. Dit pakket sluit aan bij de noden van ondernemers. De Tozo voorziet in een aanvulling tot het sociaal minimum voor zelfstandig ondernemers die hard getroffen zijn door de coronacrisis, die voldoen aan de criteria. Ondernemers kunnen mogelijk aanspraak maken op de TOGS-regeling, indien zij aan de voorwaarden daarvoor voldoen. Daarnaast zijn er maatregelen genomen in de fiscale sfeer en op het terrein van kredietverstrekking.

 

136

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of ondernemers die vanwege gezondheidsredenen – gerelateerd aan de coronacrisis – er zelf voor kiezen hun werk niet voort te zetten een beroep kunnen doen op de regeling.

 

Deze groep kan een beroep doen op de Tozo als het de intentie is de onderneming voort te zetten en voldaan wordt aan de criteria. Personen die ervoor kiezen om hun bedrijf of zelfstandig beroep echt te beëindigen, al dan niet als gevolg van de coronacrisis, komen niet in aanmerking voor de Tozo, omdat zij niet meer voldoen aan het criterium zelfstandige, waarvoor het vereist is dat de belanghebbende voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep. De Tozo is bedoeld om zelfstandigen in financieel opzicht in staat te stellen de komende periode zo goed mogelijk door te komen en om te bevorderen dat zij weer volledig zelfstandig in hun bestaan te voorzien.

 

137

De leden van de 50PLUS-fractie vragen hoe voorkomen kan worden dat eventuele majeure terugvordering van steun achteraf moet plaatsvinden, en dat de zelfstandig ondernemer daardoor alsnog failliet gaat.

 

De regeling is in nauw overleg met VNG, Divosa en experts van gemeenten uitgewerkt. Het kabinet streeft in het licht van de huidige crisissituatie naar een goede balans tussen snelheid en zorgvuldigheid. De snelheid waarmee de noodmaatregel tot stand is gekomen impliceert dat meer risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik moeten worden aanvaard dan bij reguliere omstandigheden gebruikelijk zou zijn. Echter, slechts de doelgroep waarvoor de Tozo bedoeld is, mag hiervan gebruik maken. In de regeling is daarom een reeks waarborgen ingebouwd om misbruik tegen te gaan. Hiervoor verwijs ik ook naar mijn antwoord op vraag 141.

 

Ik zet in op heldere voorlichting richting zelfstandig ondernemers, zodat zij weten aan welke voorwaarden zij moeten voldoen en welke verklaringen zij moeten geven om in aanmerking te komen voor de Tozo. Vervolgens moet erop vertrouwd kunnen worden dat zelfstandigen die een beroep doen op de Tozo, naar waarheid hun schriftelijke verklaring afgeven en zich houden aan de in artikel 17 van de Participatiewet geregelde inlichtingenverplichting. Om te voorkomen dat de voorziening ten onrechte of voor een te hoog bedrag wordt verstrekt, heeft de zelfstandig ondernemer de verplichting om op verzoek van de gemeente of uit eigen beweging melding te doen indien iets in zijn situatie gewijzigd is dat gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de voorziening. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om wijzigingen in de inkomenssituatie van de zelfstandige.

 

In het gepubliceerde modelaanvraagformulier en in de modelbeschikking die ik binnenkort ga publiceren, besteed ik aandacht aan het belang van die inlichtingenplicht. Ik adviseer gemeenten om deze producten uit de Toolkit Tozo te gebruiken en daarmee ondernemers zo goed mogelijk te informeren. Uit het karakter van de Tozo volgt dat terugvordering aan de orde zal zijn bij het niet voldoen aan de inlichtingenplicht.

 

138

De leden van de 50PLUS-fractie vragen om een beschouwing dat het ‘ingecalculeerd’ risico van ondoelmatig bestedingen van algemene middelen, in principe voor verantwoording van de Rijksoverheid komt, en niet van gemeenten, of andere betrokken uitvoerende instanties.

 

De Tozo wordt uitgevoerd door gemeenten. Het Rijk vergoedt de door de gemeenten gemaakte kosten van algemene bijstand, voor zover niet verstrekt als voorschot, en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, volledig. Daarnaast zal het Rijk een vergoeding verstrekken per besluit op een aanvraag om algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal. De gemeente loopt alleen een risico indien zij in zodanige omvang steken laat vallen bij de rechtmatige uitvoering van de regeling, dat de accountant genoodzaakt is de fouten en onzekerheden te rapporteren bij de jaarverantwoording. De mogelijkheid van foute of onzekere bestedingen neemt af naarmate een regeling eenvoudiger en eenduidiger is en heldere, meetbare criteria bevat.

 

139

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of voor grensarbeiders naar een oplossing wordt gezocht, en of wanneer daar spoedig duidelijkheid over zal kunnen komen.

 

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de vragen 1 en 15.

 

140

De leden van de 50PLUS-fractie vragen of duidelijkheid gegeven kan worden ten aanzien van de vraag of het waar is, dat gehuwden en samenwonenden, beiden zelfstandig ondernemer, samen maximaal 1.500 euro netto aanvullende uitkering voor levensonderhoud kunnen krijgen, en een zelfstandig ondernemer, gehuwd of samenwonend (met kinderen) met een werknemer in loondienst ook 1.500 euro netto krijgt. Als dit klopt, dan willen de leden van de 50PLUS-fracte weten of dit niet onbillijk is.

 

Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar de beantwoording van de vragen 5 en 26.

 

Van onbillijkheid is geen sprake. Immers, als in de eerst genoemde situatie (gehuwden en samenwonenden, beiden zelfstandig ondernemer) de als zelfstandige werkende partner van de aanvrager nog wel inkomen heeft, blijft ook dat inkomen buiten beschouwing.

 

141

De leden van de SGP-fractie vragen of de waarborgen om misbruik tegen te gaan enkel bestaan uit een moreel appel, of dat er andere, meer dwingende waarborgen zijn ingebouwd.

 

De regeling is in nauw overleg met VNG, Divosa en experts van gemeenten uitgewerkt. Het kabinet streeft in het licht van de huidige crisissituatie naar een goede balans tussen snelheid en zorgvuldigheid. De snelheid waarmee de noodmaatregel tot stand is gekomen impliceert dat meer risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik moeten worden aanvaard dan bij reguliere omstandigheden gebruikelijk zou zijn. Echter, slechts de doelgroep waarvoor de Tozo bedoeld is, mag hiervan gebruik maken. In de regeling is daarom een reeks waarborgen ingebouwd om misbruik tegen te gaan. Er is aandacht besteed aan duidelijke definities, heldere afbakening van de doelgroep en duidelijke voorwaarden. Specifiek is aandacht besteed aan de samenloop met andere regelingen, zoals de TOGS. Ook is aandacht besteed aan hoe gegevens geverifieerd kunnen worden om een rechtmatige toekenning te bevorderen. Om te voorkomen dat de voorziening ten onrechte of voor een te hoog bedrag wordt verstrekt, heeft de zelfstandig ondernemer de verplichting om op verzoek van de gemeente of uit eigen beweging melding te doen indien iets in zijn situatie gewijzigd is dat gevolgen kan hebben voor (de hoogte van) de voorziening. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om wijzigingen in de inkomenssituatie van de zelfstandige. Achteraf worden controles uitgevoerd op het werkelijke inkomen. Ook bezien we de mogelijkheden van bestandskoppeling, onder andere met het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Indien niet aan de inlichtingverplichting is voldaan en dus sprake is van misbruik, dan zal de gemeente de uitkering terugvorderen en een boete opleggen. In plaats van een boete kan onder omstandigheden ook strafvervolging plaatsvinden.

 

142

De leden van de SGP-fractie vragen of bijvoorbeeld naar gemeenten toe gecommuniceerd wordt om terughoudend om te gaan met aanvragen voor ondernemers die het materieel gezien niet nodig hebben.

 

Het moreel appel betreft de ondernemers. Zoals in de brief aan de Kamer van 27 maart jl. is aangegeven doet het kabinet een nadrukkelijk appel op ondernemers om niet een aanvraag voor de Tozo te doen als de extra ondersteuning niet nodig is. Ondernemers die aan de criteria voldoen kunnen een aanvraag indienen. In dit verband vind ik ook de oproep van de zelfstandigenorganisaties (ZZP-NL, ONL, FNV Zelfstandigen en PZO) relevant om alleen steunmaatregelen aan te vragen als dat echt nodig is.

 

143

De leden van de SGP-fractie vragen of een inschatting kan worden gegeven van het bedrag dat terecht komt bij ondernemers die het materieel gezien niet nodig hebben.

 

De noodmaatregelen doen een beroep op het moreel kompas van ondernemers bij hun afweging om een aanvraag tot ondersteuning in te dienen. De inschatting of acute inkomensondersteuning materieel gezien nodig is, ligt in eerste aanleg bij de ondernemer zelf. Ik kan derhalve geen inschatting geven van het bedrag dat mogelijk terecht komt bij ondernemers die dit minder hard nodig hebben.

 

Uit de Zelfstandigen Enquête Arbeid (ZEA, 2019) blijkt dat 6% van de zelfstandige ondernemers inschat in het geval van volledig wegvallen van het inkomen uit onderneming, deze situatie minder dan een maand te kunnen doorkomen. Zo’n 14% geeft in 2019 aan zich tussen een en drie maanden te redden. 24% tussen drie maanden en een jaar en 40% denkt een periode langer dan een jaar zonder inkomen uit onderneming te kunnen overbruggen. 16% van de totale groep kan hiervan in 2019 geen inschatting geven.

 

144

De leden van de SGP-fractie vragen of ik voornemens ben, indien de regeling na drie maanden verlengd wordt, de vermogens- en partnertoets te herintroduceren.

Op dit moment is nog ongewis of de regeling verlengd zal worden; zie hiervoor de beantwoording van de vragen 119 en 120. Zoals vermeld bij de beantwoording van vraag 67 bestaat het voornemen om in de Tozo een delegatiebepaling op te nemen, op grond waarvan bij ministeriële regeling niet alleen de doelgroep kan worden uitgebreid, maar ook de voorwaarden kunnen worden aangepast.

 

145

De leden van de SGP-fractie vragen of voor de Tozo het urencriterium over geheel 2019 wordt genomen.

Als de zelfstandige het gehele kalenderjaar 2019 als ondernemer werkzaam is geweest, kan aan de hand van zijn recht op zelfstandigenaftrek in het jaar voorafgaand aan de aanvraag worden vastgesteld dat aan het urencriterium is voldaan. Dit laat overigens onverlet dat de aanvrager ook op het moment van aanvraag nog zelfstandige moet zijn.

Als de zelfstandige na 1 januari 2019 als ondernemer is gestart, en dus niet het gehele jaar 2019 als zelfstandige werkzaam is geweest, mag in het kader van deze regeling de 1.225 uren per jaar worden herrekend naar de periode waarover de zelfstandige ondernemer is geweest. De zelfstandige dient dan te voldoen aan het (uren)criterium dat de zelfstandige gemiddeld ten minste 23,5 uur per week dient te hebben besteed aan het bedrijf of het zelfstandig beroep.

 

146

De leden van de SGP-fractie vragen of bij een ondernemer die na 1 januari 2019 gestart is een evenredig deel daarvan genomen.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van de vorige vraag.

 

147

De leden van de SGP-fractie vragen welke maatregelen genomen worden voor ondernemers die net onder dit urencriterium vallen.

Ik verwijs hiervoor naar de beantwoording van vraag 9.

 

148

De leden van de SGP-fractie vragen wat de status is van ondernemers die geen inschrijving hebben bij de KvK. Zij dreigen buiten alle regelingen te vallen.

Om als zelfstandige in aanmerking te kunnen op een uitkering op grond van de Tozo is een inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een wettelijke vereiste.

 

149

De leden van de SGP-fractie vragen welke mogelijkheden voor ondersteuning er zijn voor deze groep en hoe voorzien wordt in meer duidelijkheid.

Bij een inkomen onder de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm kan eventueel een beroep worden gedaan op bijstand op grond van de Participatiewet. Getracht wordt de zelfstandigen zo goed mogelijk te informeren via de websites van de VNG, Divosa en het Rijk.