Home » Verkorting opgelegde loonsanctie

Verkorting opgelegde loonsanctie

Publicatiedatum

23/04/2020

Aard

jurisprudentie

Nummer BIK code

CLINLCRVB2020921, 18/2168 WIA, 18/3503 WIA

De werkgever is verplicht het loon tijdens arbeidsongeschiktheid van een werknemer gedurende 104 weken door te betalen. De verplichting tot loondoorbetaling kan worden verlengd wanneer de werkgever tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid te weinig heeft gedaan om de werknemer te laten re-integreren in het arbeidsproces.

 

Tijdens de arbeidsongeschiktheid van een werkneemster stelde de arbeidsdeskundige in een brief van 1 augustus 2016 vragen aan de werkgever over de verrichte re‑integratie‑inspanningen. Omdat de werkgever niet tijdig reageerde kon het UWV niet vaststellen of de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Het UWV heeft daarom op 12 augustus 2016 het tijdvak van loondoorbetaling tijdens ziekte met 52 weken verlengd. Kort nadat het UWV het besluit tot het opleggen van de loonsanctie had genomen, heeft de werkgever gereageerd op de brief van de arbeidsdeskundige. Naar aanleiding daarvan heeft het UWV de loonsanctieperiode bekort tot vier weken.

 

De arbeidsongeschikte werkneemster heeft tegen dit besluit van het UWV bezwaar gemaakt. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. De loonsanctie was opgelegd vanwege een administratieve tekortkoming. Dit verzuim is hersteld, waarna het UWV heeft geoordeeld dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest.

 

 Tekst

 

ECLINLCRVB2020921

 

Instantie Centrale Raad van Beroep

 

Datum uitspraak 09-04-2020

 

Datum publicatie 15-04-2020

 

Zaaknummer 18/2168 WIA

 

Rechtsgebieden Socialezekerheidsrecht

 

Bijzondere kenmerken Hoger beroep

 

Inhoudsindicatie Aangevallen uitspraak 1: Bekorting loonsanctieperiode. Het Uwv heeft terecht beslist dat de werkgever van appellante voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Aangevallen uitspraak 2: Weigering een WIA-uitkering toe te kennen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat ook de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om anders te oordelen en meer beperkingen voor appellante aan te nemen. Juiste FML.

 

Vindplaatsen Rechtspraak.nl

 

Uitspraak

 

18

 

2168 WIA, 18/3503 WIA

 

Datum uitspraak: 9 april 2020

 

Centrale Raad van Beroep

 

Meervoudige kamer

 

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 6 maart 2018, 17/651 (aangevallen uitspraak 1) en van 28 mei 2018, 17/1670 (aangevallen uitspraak 2)

 

Partijen:

 

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

 

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

 

PROCESVERLOOP

 

Namens appellante heeft mr. D. Maats, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

 

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

 

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

 

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

 

OVERWEGINGEN

 

1.1.

Appellante was via haar werkgever, [naam uitzendbureau], werkzaam als secretaresse bij het bedrijf [naam bedrijf]. Op 11 september 2014 heeft zij zich ziek gemeld. Op 23 juni 2016 heeft appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Een arbeidsdeskundige heeft bij brief van 1 augustus 2016 vragen gesteld aan de werkgever over de verrichte re‑integratie‑inspanningen. De werkgever heeft niet tijdig gereageerd op deze brief en dus heeft het Uwv niet kunnen vaststellen of de werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft het Uwv daarom het tijdvak van 104 weken waarover appellante recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd tot 7 september 2017.

 

1.2.

De werkgever heeft via een mail van 18 augustus 2016 gereageerd op de brief van de arbeidsdeskundige. Bij besluit van 7 september 2016 heeft het Uwv de loonsanctieperiode bekort tot en met 4 oktober 2016, omdat de werkgever de tekortkoming in haar re‑integratieverplichting heeft hersteld. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 januari 2017 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 1 ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

 

1.3.

In het kader van haar WIA-aanvraag heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellante belastbaar is met inachtneming van de beperkingen die hij heeft opgenomen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 september 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk. Hij heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Bij besluit van 24 oktober 2016 heeft het Uwv geweigerd aan appellante met ingang van 5 oktober 2016 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 10 maart 2017 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit 2 ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een FML van 23 februari 2017 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

 

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de belastbaarheid van appellante, anders dan in het deskundigenoordeel van 23 mei 2016 van een arbeidsdeskundige is overwogen, eerder in kaart is gebracht dan vanaf november 2015. Volgens de rechtbank is gezocht naar passende werkzaamheden voor appellante in het eerste spoor en is uit het overzicht van de arbeidsdeskundige van 6 september 2016 gebleken dat de werkgever niet alleen gericht naar vacatures heeft gekeken, maar dat ook is gekeken of passende opdrachten gecreëerd konden worden voor appellante, binnen of buiten de organisatie van werkgever. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien het overzicht, met daarop de door de werkgever verrichte re-integratie-inspanningen, voor onjuist te houden.

 

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt volgens de rechtbank dat voldoende rekening is gehouden met de klachten en beperkingen van appellante. De in beroep overgelegde medische informatie geeft ook geen aanleiding om te twijfelen aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.

 

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 herhaald dat er onvoldoende re-integratie-inspanningen zijn verricht door haar werkgever. Ter onderbouwing verwijst appellante naar het deskundigenoordeel van 23 mei 2016.

 

3.2.

Appellante heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat haar beperkingen als gevolg van de bij haar geconstateerde ME/CVS zijn onderschat. Ter onderbouwing verwijst appellante naar de brieven van haar internist van 15 oktober 2018 en van haar psychiater van 28 september 2018 en naar het advies over ME/CVS van de Gezondheidsraad van 19 maart 2018. Appellante is van mening dat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er niet meer beperkingen zijn aangenomen.

 

3.3.

Het Uwv heeft, met verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2019, bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

 

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

 

Aangevallen uitspraak 1

 

4.1.

In geschil is of het Uwv terecht heeft beslist dat de werkgever van appellante voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.

 

4.2.

De gronden in hoger beroep zijn gelijk aan de gronden die appellante in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak 1 volledig en voldoende gemotiveerd besproken. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

 

4.3.

Daaraan wordt het volgende toegevoegd wat betreft de verwijzing van appellante naar het deskundigenoordeel van mei 2016. Uit de bijstelling probleemstelling van 30 oktober 2014 blijkt dat de bedrijfsarts de belastbaarheid van appellante op dat moment al in kaart heeft gebracht. Werkgever is op basis van deze belastbaarheid gaan zoeken naar re‑integratieplekken voor appellante. De bedrijfsarts heeft op 9 november 2015 laten weten dat de laatste re-integratieplek van appellante theoretisch kan worden geduid als passend werk, maar dat het probleem lijkt te zitten in een mismatch tussen de belastbaarheid van appellante en de verwachting van de opdrachtgever. Het lijkt de bedrijfsarts daarom wenselijk om de belastbaarheid van appellante vast te leggen in een FML om een duidelijker beeld te hebben. De werkgever heeft vervolgens een FML laten opstellen, waartoe de werkgever in het kader van de re-integratie overigens niet verplicht is. Wel dient de bedrijfsarts bij het in kaart brengen van de beperkingen qua terminologie aan te sluiten bij de CBBS-systematiek en de beperkingen te omschrijven binnen de kaders van de zes verschillende belastingsvelden die ook in een FML voorkomen. Dat is ook in dit geval gebeurd, onder meer in de bijstelling probleemanalyse van 30 oktober 2014.

 

Aangevallen uitspraak 2

 

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat ook de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om anders te oordelen en meer beperkingen voor appellante aan te nemen. De gestelde ernst van de vermoeidheidsklachten kan, ook met de informatie van de internist en psychiater, onvoldoende worden geobjectiveerd.

 

4.5.

De verwijzing van appellante naar het advies van de Gezondheidsraad, waarin aan medisch beoordelaars in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen wordt aanbevolen te erkennen dat ME/CVS een ernstige ziekte is die gepaard gaat met substantiële functionele beperkingen, is onvoldoende om voor appellante een ruimere urenbeperking aangewezen te achten. Dit advies is van algemene aard en gaat niet in op de situatie van appellante (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:275). Bovendien is door de verzekeringsartsen wel rekening gehouden met de vermoeidheidsklachten en zijn er beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden.

 

4.6.

Het oordeel van de rechtbank dat appellante, uitgaande van de belastbaarheid zoals die in de FML is neergelegd, in medisch opzicht geschikt moet worden geacht voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, wordt eveneens onderschreven.

 

Conclusie

 

4.7.

Uit overwegingen 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken zullen worden bevestigd.

 

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

 

BESLISSING

 

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

 

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet als voorzitter en B.J. van de Griend en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2020.

 

ECLI:NL:RBMNE:2018:983 Uitspraak delen

Instantie

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak

06-03-2018

Datum publicatie

19-03-2018

Zaaknummer

AWB - 17 _ 651

Rechtsgebieden

Socialezekerheidsrecht

Bijzondere kenmerken

Eerste aanleg - meervoudig

Inhoudsindicatie

 

Wet WIA. Loondoorbetalingsverplichting terecht verkort. Werkgever heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Belastbaarheid eiseres is tijdig in kaart gebracht. Door de werkgever is voldoende onderzoek gedaan naar taken binnen het eigen bedrijf. Beroep ongegrond.

 

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl

Verrijkte uitspraak

Uitspraak

 

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

 

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 17/651

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 maart 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Faber-Speksnijder),

 

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

 

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan werkgever Randstad Groep Nederland B.V. (de werkgever) opgelegde loondoorbetalingsverplichting verkort tot 5 oktober 2016.

Bij besluit van 5 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres was via de werkgever voor 24 uur per week werkzaam als secretaresse bij het bedrijf [bedrijfsnaam] . Op 11 september 2014 heeft zij zich ziek gemeld. De werkgever heeft op 14 april 2016 een aanvraag om een deskundigenoordeel bij verweerder ingediend. In zijn rapport van 23 mei 2016 heeft arbeidsdeskundige [A] ( [A] ) vervolgens een deskundigenoordeel uitgebracht. Hij heeft in het deskundigenoordeel overwogen dat pas vanaf 9 november 2015 de belastbaarheid van eiseres duidelijk wordt omschreven en de werkgever met deze informatie de mogelijkheden binnen de eigen organisatie gaat onderzoeken. Een beeld krijgen van de mogelijkheden van eiseres had eerder moeten plaatsvinden en had kunnen voorkomen dat re-integratieplaatsen niet aansluiten bij de mogelijkheden van eiseres. Bovendien had de werkgever met een duidelijke omschrijving van de belastbaarheid onderzoek kunnen doen naar taken binnen het eigen bedrijf. [A] heeft geconcludeerd dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen niet voldoende zijn. Op 23 juni 2016 heeft eiseres een WIA-uitkering bij verweerder aangevraagd.

1.1

Bij brief van 1 augustus 2016 is door arbeidsdeskundige [B] aangegeven dat het voor haar nog niet mogelijk is om een weloverwogen oordeel te vellen over de re-integratie-inspanningen. Om alsnog tot een goede beoordeling te kunnen komen, heeft [B] gevraagd aan de werkgever om toe te lichten waarom de werkgever zowel in de interne organisatie als extern geen passend werk kan aanbieden aan eiseres. De werkgever heeft vervolgens niet gereageerd op deze brief.

 

1.2

Bij besluit van 12 augustus 2016 heeft verweerder vervolgens aan de werkgever een loonsanctie opgelegd, omdat de werkgever niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan. Daarom moet de werkgever het loon van eiseres doorbetalen tot 7 september 2017.

 

1.3

Op 18 augustus 2016 heeft de werkgever in een e-mail de vraag van arbeidsdeskundige [B] alsnog beantwoord. Door verweerder is dit opgevat als een verzoek om de loonsanctie te verkorten.

 

1.4

Vervolgens heeft verweerder de besluiten genomen zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

 

1.5

Het primaire besluit is gebaseerd op het rapport van arbeidsdeskundige [B] van 6 september 2016.

 

2. Het bestreden besluit berust op de overweging dat de werkgever aan de re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat de periode van loondoorbetaling terecht is verkort. Verweerder verwijst voor de onderbouwing van zijn standpunt naar het rapport van 29 december 2016 van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] ( [C] ).

 

3. Ter zitting is met partijen gesproken over het verloop van de besluitvorming. Verweerder heeft desgevraagd verklaard dat de loonsanctie is opgelegd vanwege een administratieve tekortkoming. Gelet hierop is aan de orde geweest of het in deze zaak in de besluitvorming wel gaat om een verkorting van een loonsanctie. Met partijen is, uit praktische overwegingen, afgesproken dat het geschil moet gaan over de vraag of de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest.

 

4. Eiseres betwist dat de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Eiseres voert aan dat haar belastbaarheid eerder in kaart had moeten worden gebracht. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar het deskundigenoordeel van 23 mei 2016 van arbeidsdeskundige [A] . Volgens eiseres had gemotiveerd moeten worden waarom arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] van oordeel is dat de werkgever op tijd de belastbaarheid heeft omschreven, terwijl [A] in zijn deskundigenoordeel stelt dat de werkgever dit eerder had moeten doen. Verder voert eiseres aan dat de werkgever te weinig gekeken heeft naar taken en zich te veel heeft gericht op vacatures en functies. Ook hier verwijst eiseres ter onderbouwing naar het deskundigenoordeel, waarin door [A] is aangegeven dat de werkgever met een duidelijke omschrijving van de belastbaarheid onderzoek had kunnen doen naar taken binnen het eigen bedrijf en zich niet enkel had dienen te richten op vacatures en functies. Eiseres stelt dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] ook op dit punt niet is ingegaan.

 

5. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] gaat in haar rapporten van 29 december 2016 en 5 mei 2017 in op het deskundigenoordeel. Zij vermeldt dat uit de stukken blijkt dat er vanaf de datum van ziekmelding, 11 september 2014, in eerste instantie nog geen benutbare mogelijkheden zijn. In de bijstelling probleemanalyse van 30 oktober 2014 worden door de bedrijfsarts de beperkingen van eiseres aangegeven. Op basis van deze beperkingen is de werkgever gaan zoeken naar re-integratiemogelijkheden. Zij wijst op het overzicht van ondernomen acties, zoals opgenomen in het rapport van arbeidsdeskundige [B] . [C] geeft aan dat door arbeidsdeskundige [A] in het deskundigenoordeel te veel de nadruk is gelegd op het opstellen van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) om de belastbaarheid van eiseres te bepalen. Door de bedrijfsarts zijn in een eerder stadium de beperkingen aangegeven en de werkgever heeft hiermee rekening gehouden bij zijn acties. Dat sommige functies niet passend zijn gebleken, heeft ertoe geleid dat de beperkingen van eiseres steeds beter in kaart konden worden gebracht. Dit heeft uiteindelijk vanaf november 2015 geleid tot het opstellen van een FML. In januari 2016 wordt een arbeidsdeskundig re-integratie onderzoek door de werkgever afgerond, waaruit blijkt dat eiseres ongeschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Omdat het onderzoek naar arbeidsmogelijkheden in het eigen bedrijf (spoor 1) na 1 jaar nog niet heeft geleid tot een werkhervatting, is vanaf 29 januari 2016 ook een traject ingezet door de werkgever bij [naam adviesbureau] in het kader van spoor 2. [C] geeft aan dat uit de stukken blijkt dat de werkgever vanaf januari 2016 nog steeds bezig is om intern en extern te zoeken naar geschikte re-integratiemogelijkheden. Zij concludeert dat de werkgever voldoende re-integratie inspanningen heeft verricht.

 

6. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] met voornoemde rapporten voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de belastbaarheid van eiseres, anders dan in het deskundigenoordeel van arbeidsdeskundige [A] is overwogen, eerder in kaart is gebracht dan vanaf november 2015. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] motiveert in haar rapport dat de beperkingen van eiseres al blijken uit de bijstelling probleemanalyse van 30 oktober 2014. De belastbaarheid van eiseres is uiteindelijk vastgelegd in de FML van 7 december 2015, maar was dus al eerder in beeld. De beroepsgrond slaagt niet.

 

7. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat de werkgever meer onderzoek had moeten doen naar taken binnen het eigen bedrijf. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] heeft in haar rapport van 29 december 2016 erop gewezen dat uit het overzicht van de acties van de werkgever, zoals opgenomen in het rapport van 6 september 2016 van arbeidsdeskundige [B] , blijkt dat er gezocht is naar passende werkzaamheden voor eiseres in spoor 1. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat uit dit overzicht blijkt dat de werkgever niet alleen gericht naar vacatures heeft gekeken, maar dat ook gekeken is of passende opdrachten gecreëerd konden worden voor eiseres, binnen of buiten de organisatie van werkgever. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook wel degelijk voldoende onderzoek gedaan naar taken binnen het eigen bedrijf. De beroepsgrond slaagt niet.

 

8. Ter zitting is namens eiseres nog aangevoerd dat het overzicht, met daarop de door de werkgever verrichte re-integratie-inspanningen, niet klopt. De rechtbank ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om dit overzicht voor onjuist te houden. De enkele niet onderbouwde stelling van eiseres dat dit overzicht niet klopt, is onvoldoende voor de rechtbank om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.

 

9. Ter zitting is namens eiseres daarnaast gesteld dat door de werkgever onvoldoende contact met haar is onderhouden. De rechtbank kan eiseres niet volgen op dit punt. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de overgelegde gegevens in het dossier blijkt dat er voldoende contactmomenten zijn geweest tussen de werkgever en eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.

 

10. Tot slot is namens eiseres ter zitting aangevoerd dat zij mocht vertrouwen op het deskundigenoordeel. De rechtbank overweegt hiertoe dat het deskundigenoordeel van 23 mei 2016 van arbeidsdeskundige [A] een momentopname betreft. Arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [C] heeft in haar rapporten van 29 december 2016 en 5 mei 2017 inzichtelijk gemotiveerd waarom zij tot een andere conclusie is gekomen dan in het deskundigenoordeel. Zij heeft daarbij de verrichte re-integratie-inspanningen betrokken, die na het deskundigenoordeel zijn verricht. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat verweerder niet kan worden gehouden aan het eerder gegeven deskundigenoordeel dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever onvoldoende waren. De beroepsgrond slaagt niet.

 

11. Gelet op het voorgaande zijn de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende geweest.

 

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

 

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, voorzitter, en mr. N.M.H. van Ek en mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van mr. M. Knoop, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2018.